Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
genomen).” [12] Dit voorstel is niet tot wet verheven.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft een geschil over de strafrechtelijke ontruiming van een pand dat door eiser zonder toestemming van de rechthebbende werd bewoond. De gemeente Utrecht had het pand in bruikleen gegeven, maar na beëindiging van de bruikleenovereenkomst en het vertrek van eerdere gebruikers, weigerde eiser een nieuwe bruikleenovereenkomst te ondertekenen. De gemeente stelde dat het verblijf van eiser in het pand wederrechtelijk was en deed daarop aangifte. Eiser vorderde in kort geding een verbod op de strafrechtelijke ontruiming.
De rechtbank en het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hof overwoog dat het wederrechtelijk vertoeven in een pand waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, ook zonder voorafgaand wederrechtelijk binnendringen strafbaar is op grond van art. 138a Sr. Eiser stelde in cassatie dat dit een onjuiste uitleg was en dat strafbaarheid slechts aan de orde is indien ook sprake is van wederrechtelijk binnendringen.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 138a Sr een ruime reikwijdte heeft en dat het wederrechtelijk vertoeven strafbaar is zonder dat voorafgaand wederrechtelijk binnendringen noodzakelijk is. Dit volgt uit de tekst, parlementaire geschiedenis en eerdere rechtspraak. De strafbepaling beoogt het eigendomsrecht te beschermen en bewijsproblemen te voorkomen. De conclusie is dat het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; wederrechtelijk vertoeven zonder voorafgaand binnendringen is strafbaar op grond van art. 138a Sr.