Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
arrest d.d. 15 april 2014
[appellant],
[naam] Letselschade B.V.,
Het verdere verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Ten slotte heb ik dan bijgevoegd de bevestiging zoals besproken dat ik het dossier in behandeling zal nemen op basis van no cure-no pay c.q. een vast percentage van 15% inclusief btw.(…) Ter nadere toelichting zij vermeld dat ik het honorarium alleen zal berekenen over de betalingen en vergoedingen die ik, vanaf het moment dat ik mij met het dossier bezig houd, voor u realiseer. De vergoeding die Hooge Huys / Reaal zal betalen voor mijn werkzaamheden, wordt verrekend met het met u overeengekomen 15%-honorarium.”
“[naam] Letselschade verricht haar werkzaamheden op basis van ‘no cure-no pay’, hetgeen inhoudt dat, indien geen resultaat wordt behaald, aan de heer [appellant] geen kosten of honorarium in rekening zullen worden gebracht. Alle in het kader van haar taak als belangenbehartiger van de heer [appellant] te maken kosten, bijvoorbeeld voor medisch advies of een specialistische expertise of de kosten van een juridische procedure, worden vanaf datum ondertekening dezes, door [naam] Letselschade voorgefinancierd en komen voor haar rekening, voor zover ze niet door de aansprakelijke partij worden vergoed. (…) Het honorarium voor de verleende rechtsbijstand bedraagt 15%inclusief BTWvan het door [naam] Letselschade te verhalen schadebedrag. Het honorarium is verschuldigd op moment dat de door [naam] Letselschade gerealiseerde schadevergoeding of een voorschot daarop, tot uitkering komt. De heer [appellant] gaat ermee akkoord dat het verschuldigde honorarium meteen bij betaalbaarstelling van de schadevergoeding of een voorschot daarop, door [naam] Letselschade wordt verrekend c.q. in rekening gebracht.”
“Tijdens onze bespreking kwam aan de orde de vraag welke uitgangspunten bij een eventuele schadeberekening gehanteerd zouden moeten worden. Op zichzelf is het nog niet zover dat schadeberekeningen aan de orde zijn, omdat eerst een medisch en mogelijk arbeidsdeskundige beoordeling aan de orde is, maar dat neemt niet weg dat over uitgangspunten reeds te praten valt. Ik gaf u dienaangaande aan dat cliënte zich op het standpunt stelt dat uw cliënt in de situatie zonder ongeval maximaal de functie van basisarts had kunnen verwerven. In dat verband spelen bijvoorbeeld de leeftijd en de achtergronden van uw cliënt een rol alsook het aanbod van functies van specialisten.”Voorts is in die brief een voorschotbetaling van € 25.000,- aangekondigd. In een e-mail van 19 maart 2009 heeft [naam] de ontvangst van dit voorschot aan [appellant] bevestigd en heeft zij aangegeven dat zij daarop haar honorarium (blijkens een declaratie van gelijke datum bedroeg dit € 3.750,- inclusief BTW) in mindering heeft gebracht, zodat een bedrag van € 21.250,- resteerde.
“Er zijn dus zeker mogelijkheden om tot een goede schaderegeling voor u te komen, maar we kunnen de ogen niet sluiten voor de feitelijke arbeidsmarktomstandigheden”.
“Mijn cliënte ziet dan ook geen aanleiding om haar standpunt te wijzigen dat uw cliënt in de situatie zonder ongeval niet als medisch specialist werkzaam had kunnen zijn. In uw voormelde brief stelt u aan de orde dat wij in der minne berekeningen laten vervaardigen op basis van verschillende uitgangspunten, om te bezien op welke schadebedragen deze berekeningen uitkomen en aldus wellicht kunnen bewerkstelligen dat wij alsnog tot een vergelijk komen. Mijn cliënte voelt weinig voor dit traject. Zij wenst vast te houden aan het eerdere voorstel dat, wanneer wij thans niet tot een vergelijk komen, mevrouw Artoos als arbeidsdeskundige wordt benaderd om zich nader te verdiepen in de vraag welk carrièrepad uw cliënt had kunnen bewandelen in de situatie zonder ongeval. Het vorenstaande neemt niet weg dat mijn cliënte graag haar eerdere voorstel nog wil toelichten. Cliënte heeft namelijk reeds eerder een tweetal berekeningen laten vervaardigen door het Bureau Kremer met betrekking tot de schade verlies arbeidsvermogen. In de eerste berekening is als uitgangspunt gehanteerd dat uw cliënt in de situatie zonder ongeval als basisarts werkzaam had kunnen zijn tot zijn 60ste. Verder is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat uw cliënt in de situatie zonder ongeval geen inkomen heeft gegenereerd (terwijl feitelijk vaststaat dat hij een bijstandsuitkering geniet; informatie daarover ontbreekt overigens). Die berekening (…) sluit op een schadebedrag van EUR 453.816,45. De tweede berekening (…) is gebaseerd op het uitgangspunt dat uw cliënt als basisarts tot zijn 65ste had kunnen werken. De overige uitgangspunten zijn daarbij hetzelfde. Deze berekening sluit op een bedrag van EUR 625.412,95.”
“Accepteert u het voorstel dan zal spoedig de feitelijke afwikkeling kunnen worden gerealiseerd en de betalingen verricht. Overigens zal, gezien mijn relatief korte werktijd in uw dossier, dan door mij niet het overeengekomen honorarium worden gerekend maar zal ik u daar een absoluut redelijk voorstel in doen, mede afhankelijk van hetgeen de wederpartij vergoedt. (…) U bent uiteraard niet verplicht dit voorstel te accepteren. Accepteert u het niet, dan komt het te vervallen en kan daar later geen beroep meer op worden gedaan. De wederpartij heeft in haar brief thans aangegeven dat bij non-acceptatie van dit voorstel, zij geen verdere onderhandelingen, onderzoeken of berekeningen meer wensen te voeren c.q. te doen of maken zodat in dat geval slechts de juridische procedure kan worden hervat en de rechter zal moeten oordelen over wat redelijk is aan schadevergoeding in uw situatie. (…) Mocht u besluiten om zonder nader overleg het voorstel niet te accepteren, dan zal ik dat de wederpartij berichten en zal ik met onze advocaat afstemmen wat er verder moet gebeuren ter voortzetting van de juridische procedure. Ik adviseer u het huidige voorstel serieus te overwegen, nu het niet alleen een bijzonder groot bedrag is dat wordt aangeboden in der minne, maar bovendien nooit kan worden voorspeld hoe de rechter over uw schade denkt zoals ik ook in mijn brief van begin maart jl. uiteen zette. (…).”
Zoals ik u in mijn brief van 22 april jl. heb laten weten, was en ben ik niet voornemens aanspraak te maken op vergoeding van het volledige met u overeengekomen honorarium, maar kan ik er anderzijds geen genoegen mee nemen wanneer ik als gevolg van de dossieroverdracht geen aanspraak zou kunnen maken op een redelijke vergoeding gezien het door mij voor u tot nog toe bereikte resultaat”.
“Aan de laatste zin van deze brief dient de opmerking te worden toegevoegd dat naar het oordeel van [naam] het uiteindelijk uitgekeerde bedrag hoger is uitgevallen vanwege de verschuldigde en thans in de betaling opgenomen rente”. Nu aldus moet worden aangenomen dat mr. Schirmeister niet alleen met het toezenden van deze brief akkoord is gegaan, maar daarop namens [naam] ook een inhoudelijke reactie heeft opgenomen, gaat het hof ervan uit dat beide partijen wensen dat het hof de inhoud van de brief en deze reactie in zijn beoordeling betrekt, zodat het hof dat zal doen.
9) tot in ieder geval april/mei 2010 en zodoende gedurende ongeveer anderhalf jaar. Gedurende die periode heeft zij via haar directeur niet alleen meerdere besprekingen gevoerd met [appellant], maar ook met de advocaat van Reaal. Zij heeft [appellant] voorts schriftelijk geïnformeerd over de voortgang van het schaderegelingsproces en hem geadviseerd over de te nemen stappen. Tot slot heeft zij, naar [appellant] niet heeft betwist, in eerste instantie de uitgangspunten voor de schaderegeling met de advocaat van Reaal uitonderhandeld en uiteindelijk bewerkstelligd dat Reaal het aanbod heeft gedaan € 800.000,- te voldoen dat daadwerkelijk aan [appellant] zou toekomen. Aannemelijk is aldus, en [appellant] heeft dat ook niet gemotiveerd weersproken, dat [naam] de nodige tijd aan het schaderegelingsproces heeft besteed. Het hof acht in dat kader ook van belang dat [naam] blijkens de stellingen in de dagvaarding rechtstreeks van Reaal een bedrag van € 19.461,30 heeft ontvangen. Naar het hof aanneemt gaat het hier om vergoeding van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW Pro die, zoals niet ongebruikelijk bij de afwikkeling van letselschade, rechtstreeks tussen de verzekeraar en de rechtshulpverlener worden afgewikkeld. Het feit dat dit bedrag is uitbetaald steunt de aanname dat door [naam] de nodige tijd aan het schaderegelingsproces is besteed.
Beslissing
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [naam] begroot op € 1.815,- aan verschotten en € 2.316,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 november 2011;
- veroordeelt [appellant] tot betaling van € 36.788,40 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2011 tot aan het moment van algehele voldoening;
- veroordeelt [appellant] tot betaling van € 1.422,54 ter zake van de beslagkosten;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [naam] begroot op € 696,31 aan verschotten en op € 1.158,- aan salaris advocaat;
- compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
- verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.