Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 1 april 2014
[appellant] ,
advocaat: mr. B.G. van Twist te ‘s-Gravendeel.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
i) Er is een schriftelijke concept-overeenkomst met de volgende inhoud:
“Schuldbekentenis wegens ter leen ontvangen gelden
“Finale kwijting leningen/rekening courant verhoudingen/vorderingen.
Verkoper en verstrekkers van liquiditeiten die verbonden zijn aan verkoper, verlenen finale kwijting voor al hun vorderingen uit rekening courantverhoudingen/leningen/vorderingen etc. welke zij, en de heer [appellant] in privé, hebben verstrekt aan Vivo-biss B.V. per 14 mei 2007.”
De eerste grief betreft de vaststelling door de rechtbank van de feiten. Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij die vaststelling de feiten slechts gedeeltelijk weergegeven en relevante onderdelen weggelaten. [appellant] miskent hierbij echter dat een rechter ingevolge art. 230 lid 1 sub e Rv Pro niet meer feiten behoeft vast te stellen dan waarop zijn beslissing rust. Overigens merkt [A-naam] Beheer in haar memorie van antwoord terecht op dat de door [appellant] gewenste aanvullingen eerder in de procedure door haar zijn bestreden en om die reden niet als vaststaand kunnen worden aangemerkt.
.Het hof gaat dan ook aan dit aanbod als niet ter zake dienend voorbij.