ECLI:NL:GHDHA:2014:4601
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- E.J. van Sandick
- E.M. Hofkes
- R.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnissen over franchiseovereenkomst en margevergoeding tussen franchisenemer en franchisegever
In deze civiele zaak staat de franchiseovereenkomst tussen appellant en HLG centraal, waarbij geschillen bestaan over de beëindiging van de overeenkomst, de toepasselijkheid van een contractuele boete en de toekenning van margevergoedingen.
Appellant betoogt dat de franchiseovereenkomst na het eerste jaar niet van rechtswege is geëindigd en dat hij recht heeft op margevergoedingen over leer-werktrajecten en andere projecten. HLG stelt dat de overeenkomst per 1 juni 2008 is geëindigd en dat appellant geen aanspraak kan maken op de gevorderde bedragen, mede omdat werkzaamheden door andere franchisenemers zijn verricht en er sprake is van een negatieve marge.
Het hof oordeelt dat de boete op grond van artikel 26 van Pro de franchiseovereenkomst niet toewijsbaar is omdat geen sprake is van overdracht van het bedrijf aan een derde. Verder is vastgesteld dat de franchiseovereenkomst feitelijk is voortgezet na het eerste jaar zolang appellant de aspirantstatus had. Ten aanzien van de margevergoedingen is appellant tekortgeschoten in het leveren van voldoende bewijs voor zijn aanspraken. Ook de vordering wegens oninbare debiteuren wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat HLG tekort is geschoten.
Het hof bekrachtigt daarmee de vonnissen van de rechtbank Dordrecht en veroordeelt appellant in de kosten van het principale appel en HLG in de kosten van het incidenteel appel.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank en wijst alle vorderingen van partijen af.