Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 28 april 2015
de vennootschap naar vreemd recht VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,
[geïntimeerde 1]en
[geïntimeerde 2],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
eerste principale grief, gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet bewezen is de stelling van Varde dat [geïntimeerde 2] eerder dan drie jaren vóór 28 juni 2005 wetenschap had van het bestaan van de overeenkomsten, niet is beoordeeld. Tot die beoordeling gaat het hof daarom nu eerst over. Daarbij zal het hof ook de
tweede incidentele griefbetrekken - ook al is nog onzeker of de voorwaarde die daaraan is verbonden, zal worden vervuld - omdat die grief de feiten betreft waarvan [geïntimeerde 2] weet moest hebben, wilde de verjaring van haar vernietigingsbevoegdheid gaan lopen.
incidentele grief Ikomt op tegen de overweging dat [geïntimeerde 1] aan de ODA is gebonden. Deze grief berust op de veronderstelling dat [geïntimeerde 2] met haar vernietigingsbrief van 28 juni 2005 mede de ODA heeft vernietigd. Die veronderstelling is niet juist. Anders dan [geïntimeerden] willen afleiden uit het arrest van dit hof van 15 januari 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ0084) moet worden aangenomen dat de enkele inroeping van de nietigheid van de effectenlease-overeenkomsten - zeker in een geval waarin die inroeping niet tijdig is gedaan en de vernietigingsbevoegdheid is verjaard, zoals dat zich voordoet in de onderhavige zaak - niet zonder meer mede een inroeping van de nietigheid van een overeenkomst als de ODA inhoudt ook al is die laatste overeenkomst niet bij de vernietiging genoemd. Onder omstandigheden kan uitleg van de inroeping mogelijk leiden tot het oordeel dat dit anders is, maar dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Nu de ODA niet op de voet van artikel 1:89 BW Pro is vernietigd, behoeft de vraag of zodanige vernietiging eigenlijk wel mogelijk zou zijn geweest, geen beantwoording.
incidentele grief IIIwillen [geïntimeerden] ingang doen vinden dat de omstandigheid dat [geïntimeerde 2] de ODA niet heeft ondertekend, meebrengt dat de ODA (ook) niet tussen Dexia en [geïntimeerde 1] tot stand is gekomen. Daartoe beroepen zij zich op artikel 6.2.1 van de ODA. Deze bepaling, die samen met artikel 6.2.2 van de ODA in het tussenvonnis onder 1.6 is weergegeven, houdt in, voor zover thans van belang, dat de ODA tot stand komt doordat niet alleen de "Deelnemer", hier [geïntimeerde 1], maar ook de "Betrokken Partij", hier [geïntimeerde 2], het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod volledig ingevuld en ondertekend tijdig aan Dexia retourneert. Gelet op de deugdelijke betwisting van Varde stellen [geïntimeerden] onvoldoende omstandigheden die de uitleg van deze bepaling die zij voorstaan, kunnen dragen. Met name gaan zij in hoger beroep stilzwijgend voorbij aan artikel 6.2.2 van de ODA, dat inhoudt, voor zover thans van belang, dat Dexia zich het recht voorbehoudt een niet juist en/of onvolledig ingevuld formulier als ongeldig te beschouwen en dat indien Dexia het formulier als ongeldig beschouwt, tussen Dexia, Deelnemer en Betrokken Partij in hun onderlinge verhouding zal gelden dat de ODA geacht wordt niet tot stand te zijn gekomen. Zij miskennen aldus dat het niet aan hen maar aan Dexia is, al dan niet aan het feit dat de handtekening in het kader bestemd voor de handtekening van [geïntimeerde 2], niet door [geïntimeerde 2] maar door [geïntimeerde 1] is geplaatst, en dus aan het feit dat het formulier in zoverre niet juist en onvolledig is ingevuld, de consequentie te verbinden het formulier als ongeldig te beschouwen. Aan bewijs, dat te dezen ook niet is aangeboden, wordt niet toegekomen. De grief mist doel.
principale grief IIis geen belang meer gediend zodat behandeling achterwege blijft.