Uitspraak
Uitspraak d.d. 3 juni 2015
[X] te [Z], belanghebbende,
Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
De Verordening
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, beheerder van het eiland, maakte bezwaar tegen een aanslag dagtoeristenbelasting die door de gemeente was opgelegd. De belasting werd geheven over het aantal aankomsten op het eiland, waarvoor een veerdienst wordt geëxploiteerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende ging in hoger beroep.
In hoger beroep stond centraal of de Verordening die de belasting regelt, verbindende kracht moet worden ontzegd omdat deze zou leiden tot willekeurige en onredelijke belastingheffing. Belanghebbende stelde dat alleen het eiland werd belast en niet andere drukbezochte recreatielocaties in de gemeente, en dat het verblijf op het eiland te kort zou zijn om belasting te rechtvaardigen.
Het Hof oordeelde dat de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid tussen het eiland en andere locaties objectief en redelijk is, mede omdat het eiland een eigen zelfstandige bestemming vormt. Ook was het niet onredelijk dat de belasting gekoppeld is aan het gebruik van de veerdienst, die door belanghebbende wordt geëxploiteerd. De bezwaren over onduidelijkheid bij invoering en disproportionaliteit van het tarief faalden eveneens.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag dagtoeristenbelasting wordt bevestigd.