Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 16 juni 2015
de curator, en IKB Projecten BV te noemen:
IKB
[geïntimeerde],
advocaat: mr. S.D.W. Gratama te Amsterdam.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep in het principaal en incidenteel appel
Ter voorkoming van mogelijke verwarring zal het hof zich in de hieronder volgende beoordeling van het geschil, met betrekking tot de inhoud van genoemde overnametransactie aansluiten bij de indeling in de onderdelen (a) t/m (d), welke indeling blijkens r.o. 3.2.1 van het vonnis door de curator aan zijn vorderingen ten grondslag is gelegd en vervolgens ook door de rechtbank bij haar beoordeling van het geschil is gevolgd (zie de rechtsoverwegingen 4.11 t/m 4.13).
Blijkens de memorie van grieven (paragraaf 0.14 en 0.15) onderscheidt de curator in dat verband acht “kernbezwaren” tegen het vonnis waarvan beroep, terwijl hij daarnaast tegen dat vonnis 14 genummerde grieven heeft geformuleerd. Ofschoon de curator het begrip “kernbezwaar” niet nader heeft toegelicht, begrijpt het hof een en ander redelijkerwijs aldus dat onder kernbezwaar moet worden verstaan een zwaarwegende grond (dus grief) waarop tot een ander – voor de curator gunstiger – dictum dient te worden gekomen.
Tenslotte heeft de curator in zijn petitum in hoger beroep op verschillende grondslagen geconcludeerd tot toewijzing van een aantal inhoudelijk verschillende vorderingen die hij van primair afdalend tot uiterst subsidiair heeft ingesteld.
kenbaarcorresponderende grieven in het principaal appel, voor zover gericht tegen hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en beslist. Daarna zullen de resterende – niet met een kernbezwaar overeenstemmende – grieven worden besproken.
Zoals het hof de met de kernbezwaren corresponderende grieven redelijkerwijs begrijpt, heeft de curator in dit verband het oog op de grieven VI, VII alsmede IX. Grief VI ziet daarbij op de stelling van de curator dat de overnametransactie
in haar geheelpaulianeus is, terwijl de grieven VII en IX de actio pauliana tot onderwerp hebben met betrekking tot de kavels B, C en D respectievelijk kavel A.
Voor de onderdelen (a) en (c) van de overnametransactie is de (geobjectiveerde) wetenschap omtrent verliesgevendheid en benadeling daarentegen wel doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een paulianeuze transactie die op die grondslag als vernietigbaar dient te worden gekwalificeerd.
Dienaangaande overweegt het hof thans reeds dat, anders dan de curator ingang wil doen vinden in paragraaf 6.6 van de memorie van grieven, niet kan worden gesproken van budgetoverschrijding als “feit van algemene bekendheid” dat (mede) ten grondslag kan worden gelegd aan het oordeel dat de vereisten voor een paulianeuze gedraging in dit geval alle zijn vervuld.
Voor zover al gesproken kan worden van een begrijpelijke en behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief, is deze daarom vergeefs voorgedragen.
Uit de paragrafen 9.40 en 9.41 van de memorie van grieven blijkt vervolgens dat de curator zich op het standpunt stelt dat [geïntimeerde] voor de woning op kavel A ten hoogste € 299.800,00 inclusief BTW heeft betaald.
Zulks heeft tot gevolg dat, voor zover al vast zou staan dat overeenkomstig het voorgaande sprake zou zijn van verrijking van [geïntimeerde], deze verrijking in dat geval haar grondslag vindt in een geldige rechtshandeling, zodat reeds daarom niet gesproken kan worden van ongerechtvaardigde verrijking zoals door de curator in paragraaf 9.55 van de memorie van grieven subsidiair aan het gevorderde ten grondslag is gelegd.
Nu evenwel dit onderwerp reeds in het verband van grief VII aan de orde is geweest, kan thans worden volstaan met een verwijzing daarnaar.
Dienaangaande heeft de rechtbank in r.o. 4.17 van het vonnis overwogen dat de bonus buiten beschouwing dient te blijven, nu deze slechts verschuldigd zou zijn indien IKB winst zou maken.
Hetgeen de curator in het principale hoger beroep meer of anders heeft gevorderd dan in prima, zal worden afgewezen.
Als de in het principale appel in het ongelijk te stellen partij zal de curator in de kosten daarvan worden verwezen (1 punt in tarief II).
Ook bestaat er geen grond voor het opdragen van schriftelijk bewijs of bewijs door getuigen omtrent “de juistheid van de feitelijke stellingen”, zoals de curator subsidiair heeft voorgesteld, reeds omdat het aanbod niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen vereisten van specificatie.
Beslissing