ECLI:NL:GHDHA:2015:1431
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voorlopig getuigenverhoor wegens schending eerlijk proces en gelijke behandeling
IVG NETHERLANDS B.V. vordert in een bodemprocedure tegen 38 gedaagden, waaronder belanghebbenden die aannemers zijn, hoofdelijke schadevergoeding wegens grootschalige factuurfraude. IVG verzocht de rechtbank Rotterdam om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, waarbij slechts twee gedaagden als verweerders werden genoemd. De rechtbank wees dit verzoek toe.
Belanghebbenden stelden in hoger beroep dat zij niet als wederpartij in het verzoekschrift waren vermeld, niet waren gehoord en geen afschrift van het verzoek hadden ontvangen, waardoor hun procesrecht werd geschonden. Tevens werd aangevoerd dat het ontbreken van advocaatbijstand tijdens het getuigenverhoor in strijd is met het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat belanghebbenden wel degelijk belanghebbenden zijn bij het voorlopig getuigenverhoor, omdat zij in de bodemprocedure worden aangesproken tot hoofdelijke veroordeling. Het niet vermelden van alle gedaagden als wederpartij in het verzoekschrift leidt tot ongelijke behandeling en schending van artikel 187 lid 3 sub d Rv Pro. Ook acht het hof het voorlopig getuigenverhoor onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM Pro, omdat het direct invloed heeft op burgerlijke rechten en verplichtingen.
Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor af. IVG wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof benadrukt dat IVG vrij is om te bepalen welke gedaagden zij betrekt, maar dat dit gevolgen kan hebben voor de bruikbaarheid van verklaringen indien andere partijen niet betrokken zijn bij de verhoren.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking tot voorlopig getuigenverhoor en wijst het verzoek van IVG af wegens schending van het recht op een eerlijk proces.