Belanghebbende was eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2012 door de Heffingsambtenaar was vastgesteld op €382.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de waarde verlaagd naar €255.000. De rechtbank veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
In hoger beroep stond de hoogte en betaling van de proceskostenvergoeding centraal. De Heffingsambtenaar erkende een deel van de proceskosten, maar betaalde niet aan de gemachtigde van belanghebbende. Het hof oordeelde dat belanghebbende recht had op een totale proceskostenvergoeding van €2.074, inclusief vergoeding voor het bijwonen van de zitting bij het hof en het indienen van het hogerberoepschrift.
Daarnaast werd bepaald dat de griffierechten van €168 aan belanghebbende moesten worden vergoed. Het hof bevestigde de WOZ-waarde van €255.000 en vernietigde het overige van de uitspraak van de rechtbank. Het hof wees verzoeken af om betaling aan derden en om de Staat in proceskosten te veroordelen.