Conclusie
1.Overzicht
no cure no pay(ncnp) gemachtigden (80,6% van de beroepen; 79% van de hogere beroepen) zoals wel de bpm-procesmarkt (97% van de beroepen; 73% van de hogere beroepen).
margin of appreciationvan de nationale wetgever in belastingzaken en (iii) feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken; en
ceterum censeo;
BNB2016/105 en er valt nog steeds niets af te dingen van uw constatering dat op geen wettelijke bepaling gebaseerd kan worden dat de bestuursrechter op zo’n verzoek zou moeten beslissen. Het eigendomsrecht of een discriminatie van de gemachtigde kan mijns inziens trouwens
überhauptniet aan de orde gesteld worden in een procedure voor de belastingrechter naar aanleiding van een uitsluitend op naam van de belastingplichtige luidende beschikking van de belastingdienst. Een beweerdelijke schending van WOZ/bpm-gemachtigden of van dier eigendomsrechten zullen die gemachtigden bij de burgerlijke rechter aan de orde moeten stellen. Die schending is er mijns inziens overigens niet: de voorwaardelijke pkv-vordering is ten tijde van de cessie nog geen
possessionin de zin van het eigendomsrecht (geen
legitimate expectation) omdat de voorwaarde niet vervuld is en de structurele overcompensatie van ncnp-gemachtigden in WOZ/bpm-zaken is eerder een privilege voor zowel die gemachtigden als hun klanten dan een discriminatie ten opzichte van gemachtigden die niet structureel overgecompenseerd worden en zelf hun debiteurenrisico moeten betalen en ten opzichte van belastingplichtigen die niet gratis op kosten van de belastingbetaler kunnen procederen om flutbedragen. Ook de belastingplichtige wordt dus niet gediscrimineerd. Hem wordt evenmin een
possessionafgenomen, want die is er nog niet zolang de voorwaarde niet vervuld is. Zijn pkv-vorderingsrecht wordt overigens feitelijk juist versterkt door het cessie- en verpandingsverbod en dat is ook de bedoeling van de wetgever, en niets belet hem om de hem eventueel toekomende en uitbetaalde pkv door te betalen aan zijn gemachtigde. De term ‘cessieverbod’ lijkt mij ook misplaatst. Het gaat om een cessie
dwangverbod: belastingplichtigen worden door de WHpkv juist beschermd tegen de contractuele dwang tot cessie bij voorbaat van alles wat
henkan toekomen, ongeacht hoeveel méér hen blijkt toe te komen dan de waarde van de verleende diensten.
nietdoorprocedeert, kan een zich in hogere instantie slechts verwerende belanghebbende met (ncnp-)gemachtigde niet gelijkgesteld worden met een belanghebbende die een ncnp-gemachtigde machtigt om voor kleine bedragen een loterij zonder nieten te beginnen of voort te zetten op hoge kosten voor de gemeenschap. Daarmee zouden twee – in het licht van het doel van de regeling – manifest onvergelijkbare gevallen ongerechtvaardigd over één kam worden geschoren; ook dat is discriminatoir en ik zie er geen rechtvaardiging voor.
materieelin het gelijk wordt gesteld, niet de factor 0,1 toepassen, maar de factor 0,25. Als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, wordt de belanghebbende in cassatie materieel in het gelijk gesteld en moet mijns inziens aangenomen worden dat de wetgever, als hij er aan gedacht zou hebben, ook in dit geval de vermenigvuldigingsfactor op 0,25 bepaald zou hebben. Dat volgt mijns inziens onmiskenbaar uit zijn WHpkv-logica en daarmee wordt ook eventuele strijd met het EVRM vermeden. Waarom factor 0,25 en niet de volle Bpb-vergoeding? Omdat naast het tegengaan van rechtspraakverstoppend nodeloos doorprocederen om verdienmodelredenen, het belangrijkste doel van de WHpkv is het neerwaarts aanpassen van de vergoedingen in WOZ- en bpm-zaken aan de werkelijkheid van veel lagere proceskosten in die zaken dan in andere fiscale zaken, dus om de pkv ook in die zaken weer slechts een ‘tegemoetkoming’ in de kosten te doen zijn. Beide doelen kunnen voor de zegevierende-verweerderpositie bereikt worden door niet de WHpkv-factor 0,1 of de volle Bpb-vergoeding te gebruiken, maar de wettelijke factor 0,25.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
7.Rechtspraak
8.Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
9.Kwantitatieve analyse door de Waarderingskamer van WOZ-zaken
10.De uitbetaalregel en het cessieverbod
Vierde lid
BNB2016/105 in onderdeel 12.12 hieronder; PJW].
Vraag 1
11.Het financiële belang van belanghebbenden in WOZ-zaken
Rechtspraak over de rol van de belastingrechter bij de bepaling van de adressaat van de pkv-uitbetaling
BNB2016/105, waarop zowel de medewetgever (zie 10.5 hierboven) als de feitenrechtspraak (zie 12.3, 12.4, 12.8 en 12.9 hieronder) baseert dat de belastingrechter niet bevoegd is te beslissen op een verzoek om de wijze van uitbetaling van een pkv te bepalen.
Feitenrechters achten zich onbevoegd ter zake van de adressaat van de uitbetaling
Niettemin twee inhoudelijke beoordelingen: geen strijd met hoger recht
BNB2016/105 (r.o. 7.5; zie 12.12 hieronder), maar leidde daar niet uit af dat zij onbevoegd zou zijn om te beslissen op het verzoek van de gemachtigde om te bepalen dat aan hem uitbetaald moest worden. Zij wees dat verzoek af met de volgende inhoudelijke overwegingen:
HRBNB2016/105: de belastingrechter gaat niet over de vraag aan wie wordt uitbetaald
BNB2016/105 [65] betrof een belanghebbende die de WOZ-waardering van zijn woning bestreed. De Rechtbank Rotterdam had haar beroep gegrond verklaard, een lagere WOZ-waarde vastgesteld en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 1.094 en griffierecht ad € 44. [66] In hoger beroep werd de belanghebbende in totaal € 2.074 aan pkv toegekend voor het beroep en het hogere beroep. [67] De gemachtigde klaagde bij het Hof ook dat de heffingsambtenaar had geweigerd om de pkv en het griffierecht aan hem over te maken. Over die klacht overwoog het Hof:
13.Het cassatieberoep van B&W Utrecht
14.Het verzoek van de gemachtigde om uitbetaling van de pkv aan hem
BNB2016/105 geciteerd in 12.12 hierboven, zij het in ons geval op basis van de stelling dat art. 30a(4) en (5) Wet WOZ rechtstreeks werkend internationaal recht zou schenden. De vraag rijst of het dan niet toch aan de belastingrechter is om deze formeel-wettelijke bepaling te toetsten aan dat internationale recht en dus over dat verzoek te oordelen. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het verzoek is hetzelfde als in HR
BNB2016/105 en er valt nog steeds niets af te dingen aan uw constatering dat er geen wettelijke grondslag is waaruit volgt dat de bestuursrechter over een dergelijk verzoek oordeelt.
überhauptniet aan de orde gesteld worden in een procedure voor de belastingrechter naar aanleiding van een uitsluitend op naam van de belastingplichtige luidende beschikking van de belastingdienst. Een beweerdelijke discriminatie van WOZ/bpm-gemachtigden of schending van hun eigendomsrechten zullen deze gemachtigden met een actie op eigen naam tegen de Staat bij de burgerlijke rechter aan de orde moeten stellen met een beroep op art. 6:162 BW Pro.
claim(nog) geen
possession, aldus het EHRM in de zaak
Ramaer and Van Willigen v. Nederland. [68] In onder meer
Gratzinger and Gratzingerova v. Czech Republic [69] onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen in de zin van art. 1 protocol Pro I EVRM: (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised.’ De hoop of verwachting dat een
claim(aanspraak of vordering in rechte) in het voordeel van de
claimantzal worden beslist (door een overheidsorgaan of een rechter), is onvoldoende. Een
legitimate expectation‘must be of a nature more concrete than a mere hope’ en moet gebaseerd zijn op (i) ‘a legal provision’ (bijvoorbeeld een premie- belastingteruggaaf die rechtstreeks uit de wet voortvloeit, zoals in HR
BNB2022/8 [70] ) of (ii) ‘a legal act such as a judicial decision’. Die grondslag is er niet op het moment waarop de klant de algemene voorwaarden van de ncnp-gemachtigde moet aanvaarden waarbij bij voorbaat een voorwaardelijke vordering op de staat ter zake van mogelijke pkv in een nog te voeren WOZ- of bpm-procedure wordt gecedeerd. Pas zodra de voorwaarde (gegrondverklaring) vervuld wordt, ontstaat de vordering van de gemachtigde op de belastingplichtige tot doorbetaling van de pkv, en die vordering wordt niet aangetast door het cessie- en verpandingsverbod.
dwangverbod: belastingplichtigen worden door de WHpkv beschermd tegen de contractuele dwang tot cessie bij voorbaat van alles wat
hentoekomt, ongeacht of ze enig idee hebben waarvan ze bij voorbaat afzien en ongeacht hoe extreem veel méér hen blijkt toe te komen dan de waarde van de verleende ncnp-diensten. U zie in de onderdelen 7.29 t/m 7.31 van de bijlage de voorbeelden van verontwaardigde e-mails van klanten van ncnp-bureaus die geen idee hadden hoeveel de gemachtigde incasseerde aan vergoedingen die zij als aan henzelf toekomend beschouwden als zij ervan geweten zouden hebben, en die soms niet eens wisten dat de ‘gemachtigde’ namens hen aan het procederen en declareren was, al dan niet zonder geldige machtiging.
überhauptzijn rechten te kunnen beoordelen en om te beoordelen of hij expliciet wil afzien van de bescherming tegen het mijns inziens oneerlijke beding dat hij bij voorbaat en onwetend waarvan hij afziet een voorwaardelijk recht op soms duizenden euro’s moet afstaan voor een fiscale dienstverlening die voor hem gemiddeld geen groter belang kan belopen dan een bedrag tussen € 30 en € 300.
Conny, [75] betrof een Duits incassobureau dat via internet huurders als klant wierf om te procederen tegen hun verhuurders over teveel betaalde huur. De huurder moest daartoe klikken op een knop met „doorgaan”, „huurverlaging aanvragen” of „huurplafondbesparing veiligstellen”. De betrokken huurder had zich op de website geregistreerd, daar een vakje aangekruist om de algemene voorwaarden te aanvaarden en zijn bestelling bevestigd door op de knop te klikken. Vervolgens heeft de huurder een door Conny verstrekt formulier ondertekend, met als opschrift „Bevestiging, volmacht en overdracht, instemming”, dat geen enkele informatie bevatte over een op de huurder rustende betalingsverplichting. De aanvaarde algemene voorwaarden vermeldden dat de huurder een vergoeding moest betalen ad een derde van de bespaarde jaarhuur als Conny succesvol zou zijn. De vraag was of de (prijs)informatie- en transparentieverplichtingen van de handelaar ook gelden als den omvang van de betalingsverplichting niet bekend, want voorwaarderlijk is op het moment van sluiten van de overeenkomst en de vervulling van de voorwaarde geheel onttrokken is aan de invloed van de klant. Het HvJ antwoordde op vragen van de Duitse rechter dat de genoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat bij overeenkomsten op afstand via een website, de verplichting van de handelaar om ervoor te zorgen dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling uitdrukkelijk instemt met een betalingsverplichting, ook geldt als de consument de prestatie pas hoeft te betalen nadat aan een voorwaarde is voldaan – zoals in geval van WOZ/bpm
no cure no paybureaus. Uw eerste kamer heeft op 12 november 2021 [76] en 4 oktober 2024 [77] de Nederlandse implementatie in de art. 6:230m e.v. BW aldus uitgelegd dat de burgerlijke rechter ambtshalve moet toetsen of sprake is van een ernstige schending van essentiële informatieplichten, zoals de plicht ex art. 6:230m(1)(e) BW (informeren over de totale prijs van de dienst) en zo ja, die schending moet sanctioneren door een deel van verplichtingen van de consument ambtshalve te vernietigen, met name door prijsvermindering.
no cure no pay(en
quota pars litis) buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal [78] als Europees niveau. [79] Het ncnp-verbod beschermt het belang van de justitiabele bij partijdigheid, integriteit en onafhankelijkheid van de advocaat en is een rem op excessief declareren. De Nederlandse Orde van Advocaten acht het van cruciale betekenis voor een behoorlijke taakuitoefening. [80] De toelichting op het ncnp-verbod in de Gedragscode voor Europese advocaten vermeldt dat een niet-gereglementeerde ncnp-overeenkomst strijdig is met een behoorlijke rechtspleging omdat die aanzet tot speculatieve procesvoering en gevoelig is voor misbruik. [81]
zonderncnp-gemachtigde aanzienlijk beter scoren dan bezwaarden mét gemachtigde (zie onderdeel 9 hierboven).
belanghebbendefeitelijk of rechtens in een betere positie zou kunnen brengen met betrekking tot de WOZ-beschikking of de pkv. Integendeel: juist uitbetaling
aan de belanghebbendebrengt deze in een betere positie en die uitbetaling is ook bedoeld om zijn (informatie- en afwegings)positie te verbeteren. Het verzoek van de gemachtigde dient kennelijk alleen diens verdienmodel-belang, waardoor een procesbelang van de belastingplichtige ontbreekt. Zou u ondanks HR
BNB2016/105 de belastingrechter bevoegd achten om over de adressaat van de uitbetaling te oordelen, dan nog zou het verzoek van de gemachtigde met betrekking tot de uitbetaling dus niet-ontvankelijk verklaard moeten worden (als zo’n verzoek al als gebruik van een rechtsmiddel kan worden beschouwd).
De door de wetgever en de gemachtigde niet-onderkende verweerder-positie van de belanghebbende
door gemachtigdenom pkv’s en ISV’s uit te lokken op kosten van de gemeenschap zonder significant bij te dragen aan de rechtsbescherming). In ons geval zijn het immers eerder B&W die nodeloos doorprocederen. In het licht van dat doel van de regeling is verlaging tot 10% van de normale pkv onverklaarbaar en mijns inziens onredelijk en onevenredig.
verwerendeWOZ- of bpm-belanghebbende niet in zijn belangenafweging betrokken.
nietdoorprocedeert, kan een zich in hogere instantie slechts verwerende belanghebbende met (ncnp-)gemachtigde niet gelijkgesteld worden met een belanghebbende die een ncnp-gemachtigde machtigt om op kosten van de gemeenschap een loterij zonder nieten te beginnen of voort te zetten. Daarmee zouden twee – in het licht van het doel van de regeling – manifest onvergelijkbare gevallen ongerechtvaardigd over één kam worden geschoren, hetgeen evenzeer een discriminatie oplevert als een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gevallen die in het licht van het doel van de regeling gelijk zijn. Het is in dat geval de verliezende overheid zelf die de procedure voortzet en daarmee proceskosten oproept.
materieelin het gelijk wordt gesteld, niet de factor 0,1 toepassen, maar de factor 0,25. Als u het cassatieberoep van B&W ongegrond verklaart, wordt de belanghebbende in cassatie materieel in het gelijk gesteld en moet mijns inziens aangenomen worden dat de wetgever, als hij er aan gedacht zou hebben, ook in belanghebbendes geval de vermenigvuldigingsfactor op 0,25 bepaald zou hebben. Dat volgt mijns inziens onmiskenbaar uit zijn WHpkv-logica en daarmee wordt ook mogelijke strijd met het EVRM vermeden.
prospectivezou willen
overrulenom de wetgever gelegenheid te geven om betere oplossingen te bedenken (die ik niet kan bedenken), en zelfs als u het EVRM niet geschonden zou achten, al dan niet omdat het niet geschreven is voor dit soort ver van menselijke-waardigheidkwesties af liggende regeltjes, lijkt mij in dit geval toch de factor 0,25 aangewezen, maar dan op basis van de ‘bijzondere omstandigheden’-escape in art. 2(3) Bpb. Deze zaak is immers de eerste waarin de uitbetaalregel, het cessieverbod én de verweerderspositie onder de WHpkv in cassatie aan de orde zijn; de gemachtigde heeft niet volstaan met het voor de hand liggende verweer dat bewijsoordelen, mits begrijpelijk, in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden, maar heeft een geschrift ingediend dat ingaat op de merites van de WHpkv in het licht van het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel, ook al is het alleen met het oog op de uitbetaalregel en het cessieverbod in plaats op de door de wetgever niet-verdisconteerde gevolgen in verweerposities. Deze zaak kon ook als
pilot casegeselecteerd worden voor de beoordeling van die verweerpositie onder de WHpkv omdat de gemachtigde expliciet geen incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. En het betaalverzoek van de gemachtigde en diens betoog over het cessieverbod stellen u in staat om de zaak ook als
pilotte gebruiken voor de beoordeling van die uitbetaalregel en het cessieverbod. Als de gemachtigde ook nog een kritische inhoudelijke Borgersbrief vanuit het ncnp-veld inbrengt in reactie op deze conclusie – waartoe ik hem uitnodig en waarvoor u dan mijns inziens eveneens 0,25 van de reguliere Bpb-pkv zou moeten toekennen – kunnen de omstandigheden van deze cassatieprocedure mijns inziens vanuit de oogpunten van voorlichting van de Hoge Raad en gelegenheid tot rechtsvorming als uitzonderlijk genoeg beschouwd worden om als ‘bijzonder’ in de zin van art. 2(3) Bpb te kwalificeren. Elke volgende zaak is dat daarmee niet meer als u deze zaak inderdaad aangrijpt voor het geven van duidelijkheid aan het veld.
pilot casewaarin ik vandaag concludeer, met rolnr. 24/00575.
16.Ceterum censeo
omdie proceskosten, voor financieel gewin van de gemachtigde. Aan te nemen valt dat de (mede)wetgever die optie heeft overwogen, maar dat zij is afgestuit op de ratio van een forfait. De bedoeling van het forfait in het Bpb is juist dat de rechter zich
nietbij elk afzonderlijk geval hoeft te verdiepen in de vraag of het redelijk was om beroepsrechtsbijstand in te roepen en zo ja, welke vergoeding redelijk is, of in de vraag wie er nu eigenlijk procedeert (de gemachtigde of de belastingplichtige) en waaróm de belastingplichtige (of is het diens ‘gemachtigde’?) procedeert en met welk achterliggend niet-OZB-belang. Onwenselijk is dat de rechter de kwaliteit van de dienstverlening moet gaan beoordelen en uitdrukken in wel of geen of gereduceerde proceskostenvergoeding. [87] Een antimisbruikbepaling is niet werkbesparend als er – doordat het om waardebepaling gaat - massaal oneigenlijk geprocedeerd kan worden. Bij een forfait passen objectieve en
prima facietoepasbare criteria. Dat neemt niet weg dat in evidente gevallen van misbruik van procesrecht een niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. [88]
inclusivenesster zake van het te bestrijden misbruik. Mijns inziens luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Dat er wellicht ook nog een derde misstand is, kan mijns inziens bezwaarlijk als grond gezien worden om het wél aanpakken van twee grotere en dringender misstanden in strijd te achten met internationale mensenrechten. Daarbij is van belang dat het probleem bij de parkeerbelastingen, anders dan in WOZ- en bpm-zaken, niet zit in het materieelrechtelijk onoplosbare probleem dat in WOZ- en bpm-zaken een onuitputtelijke, constante en massale aanvoer van objectwaarderingsbeschikkingen bestaat, waartegen onuitputtelijk, constant en massaal (en geautomatiseerd) geprocedeerd kan worden met bijna altijd prijs omdat waardering nu eenmaal arbitrair is en de gemeenten, al werken velen geenszins vlekkeloos (mede omdat ze verstopt zitten door die oneindige stroom bezwaren), niet alles kunnen weten en ncnp-bureaus niet zelden opzettelijk zo laat mogelijk met relevante informatie zoals foto’s komen, óók als al veel eerder om relevante documentatie is gevraagd, om zoveel mogelijk pkv en ISV te genereren. De medewetgever heeft daarom verklaard dat op de parkeerbelastingen nog gestudeerd werd, [89] wat voor de hand ligt omdat het verdienmodel daar noodzakelijkerwijs anders in elkaar steekt dan bij de WOZ en de bpm, nu waardebepalingen vreemd zijn aan parkeerbelastingen. Misschien is wetswijziging niet nodig. Ik zie er geen aanleiding voor, maar desnoods kunt u, ook als oorzaak en aard van het misbruik bij de parkeerbelastingen niet dezelfde zijn als bij de WOZ en de bpm, maar de intensiteit ervan wel (80 tot 97% van de beroepsmarkt), de wetgever peremptoir stellen en
prospectiveoordelen dat hij, om ongelijkheid te vermijden, ook ter zake van qua ernst en omvang vergelijkbaar misbruik in de parkeerbelastingen moet ingrijpen, dus niet te lang over zijn lopende studie moet doen.
égalité devant les charges publicseen veel nauwkeuriger waardebepaling vereist is (zoals voor de erf- en schenkbelasting en box 3 en het eigen-woningforfait in de inkomstenbelasting) dan voor de in vergelijking daarmee relatief verwaarloosbare OZB en watersysteemheffing vereist zou zijn. Dat zal ook de reden zijn waarom gemeenten niet meer het beleid van vóór de WOZ (mogen) toepassen, nl. structurele onderwaardering, waardoor bezwaar en beroep tegen de waardering bij voorbaat zinloos was (daartegenover werd dan simpelweg het tarief verhoogd). In de bpm zijn waardeklassen om dezelfde reden moeizaam: als waardeklassen effectief zouden moeten zijn, zouden zij elk een behoorlijk waardeverloop moeten omspannen, hetgeen tot discriminatie kan leiden in de zin van het ongerechtvaardigd over één kam scheren van in waarde aanzienlijk verschillende gevallen. Bij uit dat oogpunt meer aangewezen smalle waardeklassen zou het aantal geschillen over grensgevallen tussen klassen weer aanzienlijk toenemen.
no cure no payte verbieden of de pkv en ISV op nul te stellen voor ncnp-gemachtigden. Ik meen dat deze beide mogelijkheden een verdergaande ingreep in de contractvrijheid en de rechtsgelijkheid inhouden dan de genomen maatregelen omdat zij extremer zijn (10% of 25% is beter dan nihil) en zij qua misbruikbestrijding onevenredige
overkillzouden inhouden: niet elke ncnp-gemachtigde is een misbruiker en niet elk ncnp-contract parasiteert op de algemene middelen. Vanuit het maatschappelijke doel van WHpkv bezien is er bijvoorbeeld niets tegen ncnp-afspraken die inhouden dat de rekening van de gemachtigde zal bestaan uit een percentage van de erfbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die er door zijn inspanningen afgaat van de opgelegde aanslag. De wetgever zou moeten gaan bepalen
welkecombinatie van
cureen
pay(niet) toegestaan zijn. De desbetreffende bureaus zouden er bovendien ongetwijfeld meteen in slagen om de desbetreffende regels contractueel te frustreren. Oneigenlijk gebruik van regelgeving is immers hun verdienmodel. Ook een ncnp-verbod in welke vorm dan ook lijkt mij dus onbegonnen werk en hoe dan ook niet doelmatig vanuit het oogpunt van de doelen die de WHpkv moet realiseren. Het zou er mijns inziens op neerkomen dat de wetgever het beroep van fiscaal gemachtigde wettelijk zou moeten gaan regelen. Waar overigens best wat voor te zeggen valt.
wide margin of appreciationzou zijn gegaan doordat de wél ingevoerde wetgeving
devoid of reasonable foundationzou zijn. Ik roep in herinnering dat uit uw rechtspraak volgt dat de rechter de aan een formeel-wettelijk onderscheid ten grondslag liggende veronderstellingen van de wetgever niet betekenisvol op hun realiteitsgehalte toetst (zie 7.2 t/m 7.16 bijlage), dat u in HR
BNB2013/230 (30%-regeling), HR
BNB2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR
BNB2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) de fiscale wetgever een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte liet en dat u in HR BNB 2013/230 mijns inziens terecht overwoog (zie 7.4 bijlage) dat: