ECLI:NL:GHDHA:2015:2
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid deken tot beperking vrijheid van meningsuiting advocaat
In deze zaak stond centraal de vraag of het onderzoek en de maatregelen van de deken op grond van de Advocatenwet inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting van een advocaat. De appellant betoogde dat de open norm in artikel 46 Advocatenwet Pro onvoldoende duidelijk is en daarmee in strijd met artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro. Het hof oordeelde dat deze open norm, vergelijkbaar met de zorgvuldigheidsnorm in artikel 6:162 BW Pro, voldoende kenbaar en duidelijk is door jurisprudentie en gedragsregels.
Het hof stelde vast dat het toetsen van de grondwettelijkheid van wetten aan de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden en dat de recente wetswijziging de norm in artikel 46 Advocatenwet Pro ongewijzigd liet. Daarnaast concludeerde het hof dat de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting door de deken een gerechtvaardigde inmenging zijn in het belang van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht, en daarmee verenigbaar met artikel 10 EVRM Pro.
Hoewel de appellant enkele grieven deels slaagde, werden de centrale klachten over de bevoegdheid van de deken verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. De zaak benadrukt de balans tussen vrijheid van meningsuiting en het tuchtrechtelijk toezicht binnen de advocatuur.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van appellant af.