Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[bedrijf],
[bedrijf],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat van [Y] niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. [X] betoogt dat [Y] geen belang heeft bij haar vordering en zeker geen spoedeisend belang. Het hof overweegt dat uit artikel 223 Rv Pro volgt dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen voor de duur van het geding mits er sprake is van samenhang met de hoofdvordering. De partij die een dergelijke voorlopige voorziening vordert, dient daarbij belang te hebben, in die zin dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van de hoofdzaak afwacht. [X] heeft niet gesteld dat de in dit artikel vereiste samenhang met de hoofdzaak ontbreekt. Het hof is daarnaast met de kantonrechter van oordeel dat van [Y] niet kan worden gevergd de uitkomst van de hoofdprocedure af te wachten. [Y] stelt zich immers op het standpunt dat de huurovereenkomst per 1 juni 2015 is geëindigd en dat [X] vanaf dat moment het gehuurde zonder recht of titel onder zich houdt. Daarmee is het vereiste (spoedeisend) belang gegeven. De vraag of de door [X] gestelde tekortkomingen van [Y] in de weg hebben gestaan aan het ten einde komen van de huurovereenkomst, doet aan dat belang niet af, maar is een vraag die, mits relevant, binnen de kaders van artikel 223 Rv Pro voorlopig dient te worden beantwoord. Datzelfde geldt voor de vraag of al dan niet sprake is van huur van onbebouwde grond. Grief 1 faalt daarom. Anders dan [X] in paragraaf 16 van de memorie van grieven stelt, is een bevel tot ontruiming geen constitutieve beslissing en wel degelijk mogelijk bij wijze van voorlopige voorziening. Wel is voor het geven van een dergelijk bevel vereist dat, zoals de kantonrechter ook heeft onderkend, voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter ook de ontruiming zal gelasten.
grieven II tot en met Vhebben betrekking op de kwalificatie van de huurovereenkomst en zullen gezamenlijk worden besproken. Bij die bespreking stelt het hof voorop dat het aan partijen is het onderwerp van de huurovereenkomst te bepalen. Bij beantwoording van de vraag welk huurregime van toepassing is, komt het aan op hetgeen partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan. Naar [X] terecht niet heeft weersproken, was zij in beginsel gehouden het gehuurde per 1 juni 2015 te ontruimen indien sprake was van verhuur van onbebouwde grond. In dat geval heeft [Y] immers per die datum kunnen opzeggen. Daarvoor is niet relevant of [X] (of [Y]) tekort is geschoten in de nakoming van één van haar verplichtingen of dat [X] haar verplichtingen heeft kunnen opschorten.
Grief VIis primair gericht tegen het feit dat de kantonrechter een dwangsom heeft opgelegd. [X] voert subsidiair aan dat die dwangsom te hoog is. Verder betoogt [X] dat het voor haar niet duidelijk is waartoe zij is veroordeeld. Ook deze grief faalt. Hoewel juist is dat [Y] over een executoriale titel beschikt en het gehuurde zonder medewerking van [X] kan doen ontruimen, is het voor beide partijen te verkiezen dat [X] zelf aan haar verplichting tot ontruiming voldoet. De dwangsom biedt een prikkel die haar daartoe aanzet. Het feit dat de huurprijs € 500,- per maand is brengt niet mee dat de dwangsom niet € 500,- per dag kan zijn. De dwangsom dient immers als prikkel tot nakoming en staat in zoverre los van de hoogte van de huur.
Grief VIIheeft betrekking op de proceskostenveroordeling in conventie en faalt gelet op hetgeen hierboven is overwogen. Dat betekent dat het vonnis in conventie moet worden bekrachtigd.
Grief VIIIkomt op tegen de afwijzing van de vorderingen in reconventie. Voor zover de grief betrekking heeft op de onvoorwaardelijk ingestelde vorderingen, is deze gebaseerd op het uitgangspunt dat de huurovereenkomst voortduurt. Dat uitgangspunt is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, niet juist. De grief faalt in zoverre.
Grief IXheeft betrekking op de proceskosten en deelt dus het lot van de overige grieven.
Grief Xheeft geen zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.
Grief XIbevat een subsidiair verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging en meer subsidiair de vordering dat [X] wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid. Blijkens het gestelde op pagina 35 van de memorie van grieven wordt deze grief ingesteld voor het geval deze zaak niet als spoedappel zou worden behandeld. Nu het verzoek om spoedappel is toegewezen, zou dat betekenen dat het hof niet aan deze vorderingen hoeft toe te komen. Het petitum formuleert deze vorderingen echter subsidiair, namelijk voor het geval het primair gevorderde (vernietiging van het vonnis) wordt afgewezen of indien er geen beslissing volgt voor 15 oktober 2015. Het hof zal, nu het primair gevorderde wordt afgewezen, de subsidiaire vorderingen behandelen.
in afwachting van de uitslag in hoger beroeptot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis kennelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat executie van het vonnis voor degene ten laste van wie het vonnis wordt geëxecuteerd klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij buiten beschouwing te worden gelaten. Nu heden uitspraak wordt gedaan in het hoger beroep bestaat gelet op dit toetsingskader geen ruimte meer voor het schorsen van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde. Het hof voegt daaraan toe dat de vordering tot het stellen van zekerheid niet bedoeld is om een voorschot op gestelde schade te verkrijgen. De vraag of [Y] gehouden is tot vergoeding van schade in verband met het toestaan van een ander tankstation dient in dit verband dan ook onbesproken te blijven.