Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer Hof Amsterdam : 200.080.129/01
Zaak/-rolnummer rechtbank Amsterdam : 445301/HA ZA 09-3913
arrest van 27 januari 2015
[…],
[…],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
1) met betrekking tot de (in het arrest van het hof Den Haag van 22 mei 2008 genoemde) vorderingen onder a en b: het niet tijdig, te weten uiterlijk op 17 juni 2004, (doen) betekenen van de dagvaarding in de zaak tegen […];
2) met betrekking tot de vorderingen c, d, e, g, h, i en j: het niet tijdig waarschuwen van Roham en WAP dat met de executie van 13 september 1994 de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen van Roham en WAP tegen […] op 14 september 1994 een aanvang genomen had;
3) met betrekking tot de vordering onder f: het niet tijdig waarschuwen van Roham dat de verjaringstermijn van deze vordering mogelijk op 26 maart 1994 al een aanvang had genomen, hetgeen [geïntimeerde] in ieder geval op 30 oktober 1996 wist of behoorde te weten.
Gelet op het voorgaande zal het hof bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen sub a tot en met j tevens rekening houden met verweren waarvan aannemelijk is dat […] die alsnog naar voren zou hebben gebracht, in het geval dat in die procedure geoordeeld zou zijn dat één of meer van de vorderingen niet was verjaard. Het zal daarbij gaan om verweren die weliswaar als zodanig nog niet door […] in de procedure naar voren zijn gebracht, maar die zodanig voor de hand liggen dat ervan moet worden uitgegaan dat […] deze verweren alsnog zou hebben gevoerd indien hij daartoe in dat geval in de gelegenheid was gesteld.
De rechtbank heeft de vordering van Roham als vermeld onder A ten onrechte afgewezen. [appellant] verwijst op dit punt naar de notitie van […] van 6 juli 1993 die bij brief van 23 maart 1994 aan […] ter beschikking is gesteld (productie 7 bij conclusie van repliek van 16 maart 2005, ordner CIII), waaruit (sub 1 en 2) blijkt dat de contacten tussen Roham en […] ter zake van deze kwestie niet via […] verliepen. Het onjuiste tegengestelde uitgangspunt, dat overigens niet eens door […] als verweer was gevoerd, is nochtans wel dragend geweest voor de beslissing van de rechtbank op dit punt. Het vonnis had op dit punt in hoger beroep met succes kunnen worden bestreden, en de schadepost van fl. 187.627,57 zou alsnog zijn toegewezen.
Wat onderdeel B betreft verwijst [appellant] naar de notitie van […], sub 3. Minimaal zou […] veroordeeld zijn in de kosten van de vruchteloze faillissementsaanvraag, aldus [appellant].
Wat onderdeel C betreft verwijst [appellant] naar de notitie van […], sub 4-6. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat […] op 3 april 1990 de behandeling had overgenomen, zodat vanaf dat moment niet […] maar […] verantwoordelijk was voor de aanpak op en na 3 april 1990. Die benadering miskent dat de mededeling van […] op 2 april 1990 dat aan de contractuele eisen voor tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst met Planex voldaan was, voor […], die van de juistheid van die mededeling uitging, de basis vormde voor zijn handelen op 3 april 1990. Bij meervoudige (samenlopende) causaliteit geldt hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle schade. Het oordeel van de rechtbank dat […] niet (meer) verantwoordelijk is te achten voor de na 3 april ontstane schade omdat […] de zaken toen overnam is onjuist, aangezien de aansprakelijkheid van […] voor diens fouten niet afdoet aan de (samenlopende) aansprakelijkheid van […], aldus [appellant].
Wat betreft de vordering onder
A: deze vordering betreft de onderhoudskosten die Roham in 1990 heeft moeten maken aan de loods ter grootte van een bedrag van fl. 187.627,57. Planex was krachtens een beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 20 december 1989 (overgelegd als productie bij conclusie van antwoord door […]; de processtukken in die procedure zijn overgelegd als productie 6 bij conclusie van repliek, ordner CIII) gemachtigd om deze onderhoudswerkzaamheden zo nodig zelf op kosten van Roham te doen uitvoeren. Roham hield […] aansprakelijk voor de gemaakte onderhoudskosten, op de grond dat hij ten onrechte niet had geadviseerd om hoger beroep in te stellen tegen voormelde beschikking van de kantonrechter. Als gevolg hiervan moesten bedoelde onderhoudswerkzaamheden, die volgens Roham niet dringend noodzakelijk waren, daadwerkelijk worden uitgevoerd.
De rechtbank heeft op dit punt geoordeeld dat de contacten tussen Roham en […] in de betrokken periode liepen via de advocaat […], wiens wetenschap in deze situatie aan Roham moest worden toegerekend, zodat Roham niet kon volhouden dat zij ten gevolge van het gestelde nalaten van […] zich onvoldoende bewust is geweest van de mogelijkheid, de wenselijkheid of het nut van hoger beroep. De stelling van Roham dat het aan […] te wijten is dat zij de onderhoudswerkzaamheden heeft moeten uitvoeren, wordt daarmee door de rechtbank verworpen.
uitsluitendcontact onderhield met […] via […], omdat Roham voornamelijk dit contact onderhield via Panday en Spijkstra zelf. Dit betekent immers dat de contacten in elk geval deels ook via […] verliepen. Dat […] niet op de hoogte was van de (voor Roham belangrijke) beschikking van de kantonrechter van 20 december 1989, en hierover – dus ook over de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep daartegen – niet met Spijkstra en Panday heeft gesproken, acht het hof niet aannemelijk. Wat daarvan zij, volgens de notitie van […] heeft […] de beschikking wel aan Panday (en dus aan Roham) toegezonden.
Het hof acht gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 20 december 1989 (met als grief dat de werkzaamheden niet dringend noodzakelijk zouden zijn) enige kans van slagen zou hebben gehad. Dat de werkzaamheden aan het dak niet dringend noodzakelijk waren, heeft [appellant]/Roham niet aannemelijk gemaakt. Hieruit vloeit voort dat ook een hoger beroep op dit punt tegen het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 1993 geen reële kans van slagen zou hebben gehad.
B: deze vordering betreft de schade die Roham stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat […], ondanks eerdere verzoeken van Roham daartoe, pas in 1990 het faillissement van Planex heeft aangevraagd, en dat het faillissementsrequest pas op 13 februari 1990 is behandeld doordat het aanvankelijk was ingediend bij een onbevoegde rechter.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen op de gronden dat […] terecht heeft aangevoerd dat een eerdere faillissementsaanvraag op 13 november 1989 en 11 december 1989 geen kans van slagen zou hebben gehad, en dat voorts niet is gesteld of gebleken dat het indienen van een faillissementsrequest bij een verkeerde rechtbank schadelijke gevolgen voor Roham heeft meegebracht, laat staan welke.
Het hof is van oordeel dat hetgeen is vermeld in punt 3 van voormelde notitie van […] onvoldoende onderbouwing vormt voor het betoog van [appellant]. Hetgeen in de notitie is vermeld is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende voor de conclusie dat het betreffende verweer […] niet zou toekomen. De grondslag van de vordering betrof immers het verwijt dat […] had nagelaten om reeds op 13 november 1989 en 11 december 1989 het faillissement van Planex aan te vragen. Voor de beoordeling van zowel de vraag of […] op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt, als de vraag of daaruit schade is voortgevloeid voor Roham, is relevant of een faillissementsaanvraag op genoemde tijdstippen kans van slagen zou hebben gehad. Dat Roham schade heeft geleden als gevolg van het indienen van een faillissementsrequest bij een verkeerde rechtbank, heeft zij evenmin voldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat […] de kosten hiervan, voor zover nodeloos gemaakt, bij Roham in rekening heeft gebracht.
C: Deze vordering betreft blijkens het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 1993 het verwijt van Roham aan […] dat hij, ondanks alle verzoeken daartoe van Roham, niet – zo nodig voorwaardelijk – de huur heeft opgezegd voor het geval Planex niet zou voldoen aan sommaties tot betaling of in de toekomst niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen als huurder zou voldoen en, in het algemeen, dat […] niet heeft gehandeld in overeenstemming met Rohams wens om zo spoedig mogelijk de huurovereenkomst te beëindigen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat […] met zijn brief aan de raadsman van Planex van 28 december 1989 – waarin hij huurbeëindiging ingevolge artikel 13 lid 1 van Pro de huurovereenkomst aankondigt indien de huur over het eerste kwartaal 1990 niet tijdig zou zijn betaald – gehandeld heeft conform de daartoe strekkende opdracht in de brief van […] van 11 december 1989. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het een advocaat – bij gebreke van uitdrukkelijk andersluidende instructies – vrij staat om bij een opdracht als de onderhavige, wellicht uit tactische overwegingen, de debiteur nog enig respijt te geven, hetgeen […] heeft gedaan. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat […] wel, in strijd met de opdracht, heeft nagelaten om tot beëindiging van de huurovereenkomst over te gaan toen tijdige betaling van de huur over het eerste kwartaal 1990 uitbleef. De rechtbank heeft onderzocht in hoeverre Roham daardoor schade heeft geleden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat […] op 3 april 1990 de behandeling van de zaak had overgenomen, zodat vanaf dat moment niet meer […] maar […] verantwoordelijk was voor de (gevolgen van de) aanpak van de zaak. De rechtbank heeft […] alleen aansprakelijk geacht voor schade voor zover deze een gevolg is van het niet beëindigen van de huur tussen 2 januari 1990 en 3 april 1990, en heeft de zaak naar de rol verwezen voor het specificeren door Roham van haar schade. In haar eindvonnis van 2 februari 1994 overwoog de rechtbank dat Roham haar schade aldus heeft gespecificeerd:
- fl. 171.130,57 (in plaats van, zoals eerder gevorderd, fl. 187.627,57) terzake van de kosten van de onderhoudswerkzaamheden aan de loods. Roham heeft gesteld dat Planex geen belang meer zou hebben gehad bij de uitvoering van de werkzaamheden aan de loods, als de huurovereenkomst per 1 januari 1990 zou zijn beëindigd;
- fl. 620.171,52 ter zake van de kosten van alle door Roham tegen Planex gevoerde procedures. Roham stelt dat deze procedures niet nodig waren geweest, als de huur per 1 januari 1990 zou zijn beëindigd.
De rechtbank heeft de vordering ter zake van de kosten van de onderhoudswerkzaamheden aan de loods afgewezen, aangezien zij niet aannemelijk achtte dat de werkzaamheden bij een huuropzegging per 1 januari 1990 niet nodig zouden zijn geweest.
Ten aanzien van de kosten van de door Roham tegen Planex gevoerde procedures, heeft de rechtbank overwogen dat deze vrijwel allemaal een gevolg zijn van de aanpak op en na 3 april 1990, waarvoor […] niet verantwoordelijk is. Dit geldt niet ten aanzien van twee kort-gedingprocedures, die zijn geëindigd met de vonnissen van 18 januari 1990 en 12 februari 1990. De kosten van Roham ter zake van deze beide procedures heeft de rechtbank begroot op fl. 4.050,-, welk bedrag is toegewezen.
Het hof is voorts met de rechtbank Amsterdam van oordeel dat […] op 3 april 1990 de behandeling heeft overgenomen, zodat vanaf dat moment niet […] maar […] verantwoordelijk was voor de aanpak van de zaak. Dit neemt echter niet weg dat het hof met [appellant] (en […] in zijn notitie onder 5 en 6) van oordeel is dat de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 1993 en 2 februari 1994 onjuist, althans onvolledig zijn, in die zin dat de onjuiste mededeling van […] aan […] op 2 april 1990 dat aan de contractuele eisen voor tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst met Planex was voldaan, een beroepsfout betreft van […] waarvoor deze in beginsel aansprakelijk is. […] had, als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat, moeten onderkennen dat de sommatie van 28 december 1989 slechts zag op de huurbetaling voor het eerste kwartaal van 1990, en dat niet zonder meer kon worden aangenomen dat deze tevens kon gelden als sommatie voor het tweede kwartaal van 1990. [appellant] heeft onbetwist gesteld dat deze mededeling van […] de basis vormde voor de handelwijze van […] op 3 april 1990, die daarbij van de juistheid van die mededeling uitging. De omstandigheid dat […] het ontbreken van de volgens het huurcontract vereiste sommatie eenvoudig had kunnen bemerken indien hij de juistheid van de mededeling van […] had gecontroleerd alvorens verdere acties in de zaak te ondernemen, brengt mee dat mogelijk sprake is van medeschuld van […], maar dit doet aan de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van […] voor de door hem gemaakte beroepsfout niet af. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hoger beroep van de betreffende vonnissen op dit punt een aanmerkelijke kans van slagen zou hebben gehad. De vraag rijst vervolgens tot welke schadevergoeding aan Roham dit hoger beroep zou hebben geleid. Daarvoor dient de vraag beantwoord te worden welke door Roham geleden schade in redelijkheid aan de betreffende fout kan worden toegerekend. Het hof overweegt hierover het volgende.
[…] heeft, vertrouwend op de onjuiste mededeling van […] dat aan alle contractuele vereisten daarvoor was voldaan, op 3 april 1990 de huurovereenkomst met Planex onmiddellijk tussentijds beëindigd. Tevens heeft hij bij verzoekschrift van 12 april 1990 het faillissement van Planex aangevraagd, waarop de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 22 mei 1990 het faillissement van Planex heeft uitgesproken. Diezelfde dag heeft […] aan de curator ex artikel 39 F. nogmaals de huur opgezegd tegen 1 september 1990. Bij de behandeling van het hoger beroep van Planex tegen het faillissementsvonnis van de rechtbank van 22 mei 1990, op 15 en 22 juni 1990, heeft Planex zich beroepen op een tegenvordering die zij had op Roham wegens de afkeuring van de loods door de ICCO en de daaruit voortvloeiende schade. […] heeft de tegenvordering betwist, maar verzuimd om een beroep te doen op het compensatieverbod uit het huurcontract. Dit heeft ertoe geleid dat het hof Amsterdam op 26 juni 1990 het faillissementsvonnis van de rechtbank heeft vernietigd. […] heeft hierop terstond cassatieadvies gevraagd aan […], die heeft geadviseerd om cassatieberoep in te stellen. […] heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld, als gevolg waarvan het arrest van het hof Amsterdam van 26 juni 1990 niet in kracht van gewijsde ging en het faillissement van Planex voortduurde.
Ook uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 1991 inzake het verzoek van ADB tot faillietverklaring van Planex (ordner CI tabblad 6.19) blijkt dat ADB, die bij de rechtbank werd bijgestaan door […] als advocaat, reeds kort na de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 1990 volledig op de hoogte was van de claims van Planex op Roham, waaronder een aanzienlijke claim op grond van gederfd huurgenot. De kennis van […] moet, gelet op zijn financiële belang en zijn belangrijke adviserende stem in Roham, redelijkerwijs gelijk gesteld worden met kennis van Roham. Dat Roham niet op de hoogte zou zijn geweest van de claim van Planex op Roham ter zake van de ontruiming ligt bovendien niet in de rede.
Deze misslagen betreffen ten eerste het feit dat […] onweersproken heeft gelaten dat er een zeer nauwe verwantschap bestond tussen Roham en ADB, onder meer hierin tot uitdrukking komend dat ADB de directie voerde over Roham. Dit is volgens [appellant] onjuist, aangezien niet ADB maar de heer R.J.H. Spijkstra de directie voerde over Roham. Dat dit verweer op dit onderdeel succesvol zou zijn geweest, blijkt volgens [appellant] uit het latere arrest van het hof Amsterdam, gewezen tussen Roham en Planex, van 14 oktober 1993. Indien het hof Amsterdam niet uitgegaan zou zijn van vereenzelviging van ADB en Roham, zou het beroep van Planex op verrekening zijn verworpen op de grond dat de vordering van Planex niet voor dadelijke vereffening vatbaar was (artikel 1463 BW Pro(oud)) en daarom aldus niet aan de cessionaris ADB kon worden tegengeworpen. Dit had ertoe geleid dat het hof Amsterdam Planex failliet zou hebben verklaard.
De tweede misslag betreft het feit dat […] in de betreffende procedure heeft verzuimd genoegzaam inhoudelijk verweer te voeren tegen de door Planex gepretendeerde claim terzake van de zogenoemde ICCO-schade. [appellant] wijst erop dat […], toen hij in de zomer van 1990 de behandeling van de Roham-zaken aan […] overdroeg, specifiek heeft gewezen op enkele overwegingen van het hof Amsterdam in zijn arrest van 26 juni 1990 (inzake de aanvraag van het faillissement van Planex door Roham) die in zijn visie onjuist waren. […] had op die punten gemotiveerd verweer moeten voeren in de zaak ADB/Planex.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat, als Planex op verzoek van ADB op 12 februari 1991 failliet zou zijn verklaard, Planex c.q. haar curator geen aanspraken (meer) jegens Roham geldend zou hebben gemaakt,[…] alsnog huurder zou zijn geworden en geen sprake zou zijn geweest van executie van de loods.
Rohamdoordat hij bij de behandeling van de aanvraag van het faillissement van Planex door ADB een beroepsfout zou hebben gemaakt. […] handelde op dat moment immers in opdracht van ADB en niet in opdracht van Roham. Daarbij gaat het hof ervan uit dat ADB en Roham, zoals [appellant] uitdrukkelijk stelt, niet kunnen worden vereenzelvigd. [appellant] heeft niet gemotiveerd gesteld dat (en waarom) een eventueel tekortschieten van […] jegens ADB in die procedure tevens moet worden aangemerkt als een wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen jegens Roham en/of WAP. Reeds daarom kunnen deze vorderingen niet slagen.
verwijst in dit verband weliswaar naar andere (eerdere) uitspraken waaruit zij afleidt dat de genoemde verweren ook hier een goede kans van slagen zouden hebben gehad, maar zij miskent hierbij dat de situatie in 1994 wezenlijk (in het voordeel van Planex) was gewijzigd. Planex had immers in 1994 niet meer slechts een vordering op Roham op grond van achterstallig onderhoud, maar de rechtbank Amsterdam had in haar vonnis van 12 januari 1994 geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen Roham en Planex nog voortduurde, dat Roham wanprestatie had gepleegd jegens Planex door het huurgenot van de door Planex gehuurde loods sedert 1 september 1990 niet langer te verschaffen, dat Roham op onrechtmatige wijze het faillissement van Planex had uitgelokt en dat Roham aansprakelijk was voor de daaruit voortvloeiende schade. Deze uitspraak behelst ernstige verwijten aan de zijde van Roham, waarvan bovendien voor een ieder duidelijk kon zijn dat deze bij Planex hadden geleid tot een zeer aanzienlijke schade. De kort-gedingrechter heeft in zijn vonnis van 11 mei 1994 dan ook geconcludeerd dat buiten redelijke twijfel was dat de bodemrechter Planex te zijner tijd een aanzienlijke vergoeding zou toekennen.
Daar komt nog bij dat Roham en ADB weliswaar niet vereenzelvigd kunnen worden, maar dat er wel sprake is van een sterke band en dat bovendien naar het oordeel van het hof uit de stukken redelijkerwijs niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de cessie aan ADB onderdeel heeft uitgemaakt van de - door de rechtbank Amsterdam in haar vonnis van 12 januari 1994 vastgestelde - wanprestatie en het onrechtmatig handelen van Roham jegens Planex.
Alles afwegende is het hof dan ook van oordeel dat een beroep van Roham op het verrekeningsverbod en/of de cessie aan ADB, zowel naar aanleiding van het door Planex gelegde eigenbeslag als in het door Planex aangespannen kort geding, in de gegeven omstandigheden naar alle waarschijnlijkheid door de betreffende rechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (waarop Planex zich in dat geval ongetwijfeld op zou hebben beroepen) onaanvaardbaar zou zijn geacht, en derhalve geen redelijke kans van slagen zou hebben gehad.
- Nadat eenzelfde vordering van [appellant] tegen Vermeulen in de zaak [appellant]/Vermeulen I reeds is afgewezen wegens gebrek aan voldoende motivering en onderbouwing ervan, heeft [appellant] ook thans haar vordering onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd.
- Nu in de zaak [appellant]/Vermeulen I in twee instanties de vordering is afgewezen wegens onvoldoende motivering en onderbouwing, is er sprake van gezag van gewijsde. De beslissingen van de rechtbank en het hof in die zaak moeten worden gelezen als een vaststelling dat vanwege het ontbreken van feiten en omstandigheden die wijzen op het tegendeel, causaal verband ontbreekt. Die vaststelling is een beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil waaraan gezag van gewijsde toekomt.
- Het nogmaals pogen om dezelfde vordering in te dienen, terwijl deze reeds in twee instanties is afgewezen en [appellant] op het cruciale punt van het causaal verband wederom niet aan haar stelplicht voldoet, moet worden aangemerkt als misbruik van procesrecht.
Gelet op het feit dat het hier gaat om de toewijzing van een in verhouding tot de vordering van [appellant] op […] zodanig klein deel daarvan, dient [appellant] derhalve nog steeds als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd en acht het hof het niet aannemelijk dat toewijzing van dit bedrag zou hebben geleid tot een andere proceskostenbeslissing in de zaak [appellant]/Vermeulen II dan zoals deze thans feitelijk is gegeven. Op dit punt lijdt [appellant] derhalve geen schade.
€ 5.000.000,- . [appellant] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in de eerste aanleg als in het hoger beroep (de kosten bij het hof Amsterdam daaronder begrepen).