In deze civiele zaak staat centraal of de apotheek ten onrechte een bedrag van €10.579,56 heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar Achmea voor behandeling van een verzekerde met het geneesmiddel infliximab. De kernvraag is of de verzekerde voorafgaand aan de behandeling met infliximab is behandeld met een antibioticum voor hidradenitis suppurativa.
De appellanten stelden aanvankelijk dat geen antibioticumbehandeling had plaatsgevonden, maar corrigeerden dit later met een brief van de behandelend arts als bewijs van orale antibioticumbehandeling. Achmea handhaafde haar standpunt dat geen antibioticum was voorgeschreven en bood aan bewijs te leveren via medicatiehistorie van de verzekerde over de periode 2006-2010.
Het hof oordeelde dat Achmea de bewijslast draagt voor haar stelling en dat zij het bewijs mocht aanvoeren. Tevens vroeg het hof partijen in te gaan op de mogelijkheid dat een antibioticumbehandeling vóór 2006 heeft plaatsgevonden, wat niet uit de medicatiehistorie blijkt. De zaak werd aangehouden voor verdere beslissing en verwezen naar een rolzitting voor nadere stukken.