Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 juni 2016
[appellante] ,
Intralectric B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Ade feiten
€ 195.468,96.
Bvorderingen en vonnis in eerste aanleg
Ten aanzien van het beslag op het perceel
Ten aanzien van het derdenbeslag
Chet in hoger beroep gevorderde en de grieven
Dde beoordeling van de grieven
het door Intralectric gelegde derdenbeslag
3 maart 2014 er door [appellante] alsmede door hypotheekhouder Obvion van op de hoogte is gesteld dat handhaving van het derdenbeslag ertoe zou leiden dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden en daarmee dat het beslag niet kon leiden tot enige opbrengst. Intralectric heeft desondanks het derdenbeslag gehandhaafd.
3 maart 2014 niet in redelijkheid tot handhaving van het derdenbeslag kunnen komen.
3 maart 2014 is door [appellante] en Obvion in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gegeven wat het resultaat van handhaving van het derdenbeslag zou zijn: ontbinding van de koopovereenkomst. Intralectric maakt niet duidelijk waarom [appellante] die consequenties na het vonnis in kort geding nogmaals onder haar aandacht had moeten brengen.
schade
artikel 3:268 BW Pro overgegaan tot executieverkoop van het perceel. Daarbij heeft het perceel volgens [appellante] € 5.881,63 en € 5.000,00 minder opgebracht,
artikel 3:268 lid 2 BW Pro een verzoek gedaan aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland tot onderhandse verkoop. Met betrekking tot de kosten van dit verzoek heeft Obvion volgens [appellante] een bedrag van € 2.117,24 bij haar in rekening gebracht,
14 maart 2014 contact te zoeken met Intralectric en door vervolgens eventueel een tweede kort geding-procedure te starten, de door haar geleden schade daadwerkelijk had kunnen beperken. Gesteld noch gebleken is dat Intralectric bereid zou zijn geweest om alsnog vrijwillig het beslag of te heffen, of dat Obvion en [verkoper] bereid zouden zijn geweest om de uitslag van een tweede kort geding-procedure tegen Intralectric af te wachten.
18 maart 2014) en [verkoper] de overeenkomst heeft ontbonden (woensdag 19 maart 2014) zaten niet meer dan een paar dagen tijd. Gelet op de omstandigheid dat Obvion en [appellante] Intralectric korte tijd vóór 14 maart 2014 - te weten op 4 maart 2014 - in niet mis te verstane bewoordingen in kennis hadden gesteld van de consequentie van het handhaven van het derdenbeslag, en Intralectric daarin geen aanleiding had gezien het derdenbeslag op te heffen, mocht redelijkerwijze niet van [appellante] worden verwacht dat zij in bedoelde paar dagen tijd contact met Intralectric zou opnemen om de consequentie van de handhaving van het derdenbeslag nogmaals onder de aandacht te brengen.
€ 5.000,00 zal worden afgewezen. [appellante] maakt niet duidelijk hoe dit bedrag zich verhoudt tot het (ook) door haar gevorderde bedrag van € 5.881,63, waardoor de mogelijkheid bestaat dat het bedrag van € 5.000,00 reeds geheel of gedeeltelijk in het bedrag van € 5.881,63 is verwerkt.
€ 4.861,01 aan renteschade gevorderd. Daarbij gaat het om de contractuele rente van 5,1% die [appellante] in genoemde periode aan Obvion heeft betaald over het bedrag dat aan Obvion zou zijn afgelost indien de verkoop van het perceel door [appellante] en [A] aan [verkoper] doorgang zou hebben gevonden. Dit aflossingsbedrag is volgens [appellante] € 186.040,65.
conclusie
Beslissing
(€ 104,80 aan kosten dagvaarding en € 462,00 aan griffierecht) en € 800,00 aan salaris gemachtigde,
W.M. Limborgh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.