Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 14 juni 2016
[naam] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het daartegen door [appellant] ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 juni 2004 door de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Azerbeidzjan te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt aldaar te worden onderworpen aan een door artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling. De uitspraak van de rechtbank is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS) bij uitspraak van 27 augustus 2004.
5 maart 2009 afgewezen door de toenmalige staatssecretaris van Justitie. Bij uitspraak van
24 december 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat opnieuw op het bezwaar dient te worden beslist. In hoger beroep is deze uitspraak echter vernietigd door de ABRvS en is het destijds door [appellant] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaard. Daartoe heeft de ABRvS in haar uitspraak van 12 juli 2010 overwogen, kort gezegd, dat de staatssecretaris van Justitie terecht heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat [appellant] in de periode van 21 december 2005 tot 15 maart 2009 heeft geprobeerd zelfstandig, dan wel met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of de Dienst Terugkeer en Vertrek van het toenmalige Ministerie van Justitie (DT&V) naar Azerbeidzjan terug te keren en dat aldus niet is voldaan aan de vereisten voor het verkrijgen van de gevraagde vergunning.