Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 juni 2016
[appellant],
Stichting Rijnlands Lyceum,
De verdere loop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
"het verrichten van werkzaamheden ter herstructurering en verbetering van de financiële en organisatieprocessen en reorganisatie van het Centraal Bureau van de opdrachtgever".Met ingang van 1 juli 2007 werd [appellant] benoemd tot Chef de Bureau van het Centraal Servicebureau. Op 7 april 2008 is [appellant] opnieuw in dienst getreden van SRL, blijkens de akte van benoeming voor onbepaalde tijd en in de functie van Controller/Manager Centraal Servicebureau. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs (verder: de CAO) van toepassing. Het salaris van [appellant] bedroeg laatstelijk € 5.913,--, vermeerderd met een arbeidsmarkttoeslag van € 1.003,-- per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
is vanmorgen gebeld door de belastingdienst. Ze hebben van ons een bezwaarschrift ontvangen. (…) Los daarvan geeft de betrokken ambtenaar aan de we ook inhoudelijk geen schijn van kans hebben. Ze geven aan flink genoeg te hebben van het dossier.
uw cliënt heeft verzuimd een bedrag van € 220.000,-- aan omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2007 aan te geven en op aangifte te voldoen (…)
uw cliënt heeft ondanks herhaald verzoek verzuimd aan de Belastingdienst informatie te verstrekken omtrent een verzoek om teruggave van BTW over het 4e kwartaal van 2006 ten bedrage van € 1.372.553,-- (…)
uw cliënt heeft ondanks herhaald verzoek verzuimd tijdig informatie aan de Belastingdienst te verstrekken ten aanzien van de door hem verzorgde aangiften BTW over het jaar 2009 (…)
uit onderzoek is gebleken dat alle door uw cliënt over het jaar 2009 gedane aangiften omzetbelasting onjuist zijn.
in strijd met zijn verplichtingen als controller heeft uw cliënt nagelaten zorg te dragen voor (tijdige) deponering van de jaarrekeningen 2005, 2006 en 2009 van Rijnland Education Worldwide. (…)
als gevolg van de tekortkomingen van uw cliënt zijn contacten met de Belastingdienst is de relatie tussen cliënt en de Belastingdienst aanzienlijk verstoord geraakt en behoeft cliënt niet te rekenen op coulance van die kant;
de hierboven onder a) en b) genoemde tekortkomingen betreffen de aan uw cliënt bekende fiscale constructie inzake Latiss. Uw cliënt valt aan te rekenen dat hij in zijn contacten met de Belastingdienst ten aanzien van de BTW-aspecten met betrekking tot deze constructie geen consistente lijn heeft gevolgd. Uw cliënt heeft kennelijk eigenmachtig besloten de door de Stichting aan Latiss in rekening gebrachte BTW niet aan te geven. Tegelijkertijd heeft uw cliënt de aan cliënte in rekening gebrachte BTW echter wel teruggevorderd, maar heeft hij verzuimd de noodzakelijke informatie in verband met deze gewenste teruggave (tijdig) te verstrekken. Jegens de bestuurder heeft uw cliënt in verband met deze teruggave consequent het standpunt ingenomen dat deze "hard" zou zijn en heeft hij deze ook als zodanig in de boeken van de Stichting verwerkt. (…)
"9.a.1 Beëindiging van het dienstverband
9.a.5 Gronden voor opzegging
primair: een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is omdat deze heeft plaatsgevonden om valse en/of voorgewende redenen met veroordeling van SRL bij wijze van schadevergoeding ex artikel 7:681 BW Pro aan [appellant] te betalen een bedrag van € 3.000.000,--,
subsidiaireen verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is vanwege het gevolgencriterium, met veroordeling van SRL bij wijze van schadevergoeding ex artikel 7:681 BW Pro aan [appellant] te betalen een bedrag van € 443.276,--, te vermeerderen met rente;
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat SRL door de wijze waarop het ontslag heeft plaatsgevonden, door de communicatie daarover intern en/of tegenover derden en/of door haar handelen nadien heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 7:611 BW Pro en dat SRL daarom jegens [appellant] schadeplichtig is, met veroordeling van SRL tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, en vermeerderd met de wettelijke rente;
met name genoemde gewichtige omstandigheden die redelijkerwijs geacht moeten worden met het oog op de belangen van de instelling en van het onderwijs de mogelijkheid van het dienstverband uit te sluiten".
"Voor Rijnlands zal er overigens geen administratieve lastenverzwaring optreden. Alle benodigde werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door de stichting en/of door Mazars".Dit betekent dat naar het oordeel van het hof ook geenszins is komen vast te staan dat [appellant] als Manager/Controller eindverantwoordelijk was voor de BTW-aangiften en afdrachten, aangaande de Latiss-constructie, alsmede de contacten met de Belastingdienst daarover. SRL heeft niets gesteld op basis waarvan moet worden aangenomen dat [appellant] – ondanks het vorenstaande – moet hebben begrepen dat hij ter zake eindverantwoordelijk was. Aan bewijslevering kan daarom ook hier niet worden toegekomen. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de verwijten die SRL [appellant] maakt ter zake van onjuiste BTW-aangiften en -afdrachten terecht zijn. Het hof sluit niet uit dat de verantwoordelijkheid voor het doen van BTW-aangiften en -afdrachten binnen SRL niet (goed) was belegd.
"Stichting LatissIn 2007 heeft Stichting Latiss (Mazars) met Het Rijnlands een afspraak gemaakt om op een bepaalde wijze de betaling van BTW uit te stellen. Deze afspraak is volgens Mazars afgestemd met de Belastingdienst. De correspondentie hieromtrent heeft Het Rijnlands nog niet ontvangen.". In deze jaarrekening is onder overlopende passiva een bedrag van € 222.101,28 (zijnde het BTW-bedrag) vermeld met als omschrijving "Stg. Latiss". Verder is in die jaarrekening vermeld:
"Een vordering van EUR 1,4 miljoen op de belastingdienst staat opgenomen (…) en wordt aangewend voor de financiering van de nieuwbouw ISH. De vordering is juridisch gezien hard, echter wordt deze (…) door het Europese Hof van Justitie in beschouwing genomen. Vooralsnog is er geen reden om te twijfelen aan de opeisbaarheid van deze vordering. In 2009 zal de vordering naar verwachting leiden tot een geldstroom.",aldus nog steeds [appellant].
"Is deze vraag van de belastingdienst voor 1 februari 2010 beantwoord? [Z], hof)
belt hier maandag over, waarna bedoelde brief was ingescand, blijkt echter dat dit verwijt feitelijke grond mist. Uit genoemd e-mailbericht blijkt immers dat [Y] beschikte over genoemde brief. De in deze procedure gegeven verklaring dat de bestuurder de brief pas op 21 februari 2010 heeft "aangetroffen" overtuigt niet, te meer daar i) [Y] zich in de brief van 2 maart 2010 op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de betreffende heeft achtergehouden, maar SRL niet verklaart waarom [Y] daarvan in het e-mailbericht van 21 februari 2010 geen melding maakt, hetgeen toch in de rede had gelegen, ii) SRL niet nader heeft omschreven waar de brief op 21 februari 2010 is "aangetroffen", zodat ook om die reden niet duidelijk is of wel van achterhouden sprake is, en iii) [Y] in zijn brief van 2 maart 2010 nog schreef dat hij eerst na 24 februari 2010 bekend is geraakt met de betreffende brief.
("De verantwoordelijkheid daarvoor ligt uiteindelijk slechts bij één persoon en dat is [appellant]"MvA, sub 35) lijkt vooralsnog ongerechtvaardigd en miskent de (mede)verantwoordelijkheid van de andere daarbij betrokkenen, [Y], [X] en [Z]. Tegenover het in deze procedure niet uit de verf gekomen belang van SRL bij ontslag van [appellant], staat de ongekend harde wijze waarop SRL [appellant] heeft aangepakt (schorsing, ontslag op staande voet, korte reactietermijnen) en de ingrijpende gevolgen die dit voor hem heeft gehad. SRL heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven en heeft aldus niet gehandeld als een goed werkgever. [appellant] raakte immers niet alleen zijn baan kwijt, maar is ook beschadigd door het type (zoals in deze procedure is geoordeeld: onvoldoende gefundeerde) verwijten dat SRL hem heeft gemaakt en het feit dat sprake was van een ontslag op staande voet. [appellant] heeft (naar moet worden aangenomen: mede als gevolg van keuze voor op staande voet-ontslag), zijn recht op uitkering tot en met de Centrale Raad van Beroep moeten bevechten. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is en aan [appellant] een schadevergoeding toekomt. De schadevergoeding moet worden begroot als de schade die de werknemer als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag heeft geleden, waarbij de gewone regels omtrent begroting van de schade(vergoeding) van toepassing zijn (HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6596).
publiekelijkis weggezet als fraudeur en onbetrouwbaar. Wel acht het hof aannemelijk dat een ontslag op staande voet binnen SRL en mogelijk ook in de onderwijswereld is gaat "rondzoemen". Reden om zonder meer aan te nemen dat te verwachten was dat [appellant] als gevolg van het ontslag tot zijn pensioen werkloos zal blijven was (en is) er volgens het hof niet (volgens de tool "Mag ontslag" van de Universiteit van Amsterdam is die kans 5%). Anderzijds was ten tijde van het ontslag wel te voorzien dat [appellant] geruime tijd (volgens de tool "Mag ontslag", gemiddeld 956 dagen) werkloos zou blijven en waarschijnlijk zelfs aanzienlijk langer dan gemiddeld, omdat het hem onterecht gemaakte verwijt dat hij zijn werkgever ernstig heeft benadeeld, alsmede het bestuur door zijn handelen heeft blootgesteld aan het risico van strafrechtelijke vervolging, het vinden van werk zou bemoeilijken. Het hof stelt de termijn schattenderwijs op vijf jaar. Het hof neemt voorts in aanmerking dat [appellant] aan wettelijke en bovenwettelijke WW-uitkering een bedrag van € 220.000,-- heeft genoten, en dat onmiskenbaar sprake is van pensioenschade. Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een vergoeding van € 250.000,-- passend. De gevraagde subsidiaire verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen en SRL zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 250.000,--, bruto vermeerderd met rente daarover vanaf datum dagvaarding.