Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 26 april 2016
de vennootschap onder firma Grieks Specialiteitenrestaurant Corfu v.o.f.,
Winkelcentrum Ypenburg C.V.,
2.
Beherend vennoot Winkelcentrum Ypenburg B.V.,
advocaat: mr. P.P. Hart te Den Haag.
Het verdere geding
De beoordeling van het hoger beroep
a. Geïntimeerde onder 1 is een besloten beleggingsfonds dat voor gemeenschappelijke rekening en risico van haar participanten vermogen belegt in het winkelcentrum Ypenburg in Den Haag (verder: het winkelcentrum). Zij is eigenaresse van het winkelcentrum. Geïntimeerde onder 2 is haar beherend vennoot.
“(…)
Voorwaarden
(…)”
v) voor zover nodig voor toewijzing van haar vorderingen, te verklaren voor recht dat artikel 11.8 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst rechtsgeldig door Corfu is vernietigd, althans genoemd artikel 11.8 te vernietigen;
“
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de loutere omstandigheid dat een handelshuurovereenkomst voor de verhuur van een supermarkt in een winkelcentrum een clausule bevat die de huurder het recht toekent om zich te verzetten tegen de verhuur, door de verhuurder, van winkelruimte in dat centrum aan andere huurders, impliceert dat die overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking in de zin van die bepaling heeft. (…)
Met zijn tweede tot en met vierde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wil de verwijzende rechter in wezen vernemen in welke omstandigheden handelshuurovereenkomsten als die in het hoofdgeding, „tot gevolg” hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.”
“
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de loutere omstandigheid dat een handelshuurovereenkomst voor de verhuur van een supermarkt in een winkelcentrum, een clausule bevat die de huurder het recht toekent om zich te verzetten tegen de verhuur, door de verhuurder, van winkelruimte in dat centrum aan andere huurders, niet impliceert dat die overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking in de zin van die bepaling heeft.
“
Ook al zou de (….) clausule mogelijk tot gevolg hebben dat ze de toegang beperkt van concurrenten (…), een dergelijke omstandigheid zou, indien die vaststaat, niet kennelijk tot gevolg hebben dat de overeenkomsten met deze clausule naar hun aard zelf de mededinging op de referentiemarkt, te weten de lokale kleinhandelsmarkt in voedingswaren, verhinderen, beperken of vervalsen.”
De vraag of ook in het geval van een strekkingsbepaling aan het merkbaarheidscriterium moet worden getoetst, behoeft derhalve geen beantwoording.
product-)marktpositie van de contractspartijen en de duur van de overeenkomst. Op Ypenburg rust ter zake de stelplicht en bewijslast (HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3582 en HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213). Tegenover de gemotiveerde betwisting door Corfu heeft Ypenburg echter onvoldoende (concrete) gegevens aangedragen om het hof tot een analyse als hiervoor omschreven in staat te stellen en zij heeft aldus niet aan haar stelplicht voldaan. Dit betekent dat het beroep moet worden verworpen.
de exploitatie van een ‘shoarmazaak’ in de ruimste zin van het woord”. Corfu heeft als productie 27 bij inleidende dagvaarding kleurenfoto’s van het restaurant Tazè overgelegd waarop onder andere een afhaalcounter met daarachter een draaibare spies met vlees is te zien alsmede afbeeldingen van verschillende (afhaal)grillproducten. Corfu heeft op deze foto’s nog eens gewezen in haar conclusie na comparitie onder 11. Ypenburg heeft op zichzelf niet betwist dat een en ander inderdaad op die foto’s is te zien. Ook heeft zij niet betwist dat op de menukaart ook shoarma en döner stonden vermeld. Zij blijft echter vasthouden aan haar hiervoor vermelde stellingen. Aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf is het hof van oordeel dat onder “shoarmazaak
in de ruimste zin van het woord” (cursivering hof) elke zaak moet worden begrepen waar shoarma of maar enigszins met shoarma verwante (grill)producten, zoals döner, te verkrijgen zijn. Uit het voorgaande volgt dat Ypenburg onvoldoende heeft betwist dat in restaurant Tazè ook shoarma en/of een aanverwant grillproduct, in het bijzonder döner, wordt verkocht. Daarmee valt de exploitatie van dit restaurant onder het branchebeschermingsbeding en heeft Ypenburg in strijd met het branchebeschermingsbeding gehandeld door de huurovereenkomst met Masa B.V. (waarin expliciet is bepaald dat verkoop van shoarma/döner is toegestaan) aan te gaan.
fBW. Het beroep op de reflexwerking faalt. Corfu kan niet gelijkgesteld worden met een consument. Corfu is een vennootschap onder firma die een restaurant drijft en als zodanig deelneemt aan het economisch verkeer. De schade waarvan zij vergoeding vordert, is schade die zij stelt in het kader van de bedrijfsuitoefening te hebben geleden. Dit is een ander soort schade dan een consument, te weten een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, lijdt. De hiervoor weergegeven argumenten van Corfu kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
shoarma gerelateerde producten” te verkopen. Het tegen Ramak gevraagde verbod werd afgewezen. In een door Ypenburg begonnen executie kort geding over de incasso door Corfu van de gestelde verbeurde dwangsommen, heeft de voorzieningenrechter, bij vonnis van 9 oktober 2012, Corfu bevolen om de executie van het kort geding arrest van 20 januari 2012 voor zover dit Ramak betreft, te staken en gestaakt te houden totdat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist.
shoarma en aanverwante grilproducten” moet ruim worden uitgelegd; daaronder vallen ook kipproducten . Ook heeft zij gemotiveerd gesteld dat Ramak nog steeds op shoarma gelijkende kipproducten verkoopt.
Beslissing
woensdag 8 juni om 13.30 uurin het paleis van Justitie aan de Juliana van Stolberglaan 60 te Den Haag;