Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 9 augustus 2016
[verzoeker],
Haagse Milieu Services,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
. Ze hebben eigenlijk 4x per week meer afval. Dit speelt al sinds we daar rijden. Ik heb recentelijk tegen deze klant gezegd dat ik er mee gestopt ben. Het liep de spuigaten uit. Het zou mij baan kunnen kosten. Het werd steeds meer. Ik ben er denk ik in mei mee gestopt (…) Ik heb tegen [naam 2]gezegd dat we er mee moesten stoppen. [naam 2] was het er mee eens. De klant was het er niet mee eens want die wil gewoon zijn vuil kwijt. Het is gestart sinds we de one to move rijden. Het speelt dus nu ongeveer een half jaar. Daarvoor ben ik nooit bij de Fruithandel geweest. Er is een contract voor 1 rolcontainer van 1000 of 1100 liter. Dan kan je zien in de bordcomputer. Het is dus langzaam meer geworden. Na de Fruithandel zijn we naar Kriege en Verhoek gereden aan de Elbe. Ook daar nemen we meer afval mee dan contractueel is vastgelegd. Meestal nemen we daar 2 rolcontainers mee en ook nog los afval. Ook dat is uit serviceoverwegingen. (…)"
“Ik weet niet of ik op die datum ook extra heb opgevoerd. Maar de meeste keren wel. Het ging hier met name om pallets met lege fruitkisten. Het losse afval betreft ook kisten. Ik weet niet of op die datum een extra bon of extra invoer is geweest. Er is op die datum niet betaald door de Fruithandel. De uitzendkracht die er op dat moment bij was heeft er geen beslissende rol in gehad. Ik denk dat het Andrew Frans was (…).”Dit is niet rechtgezet; [verzoeker] is er tijdens het gesprek niet op geattendeerd dat hij die dag niet betrokken was geweest bij de afvalinzameling bij de Groente- en Fruithal. Tijdens het gesprek is voorts – door de wijze van vraagstelling zoals deze blijkt uit het rapport – steeds de suggestie gewekt dat [verzoeker] meer afval inzamelde dan contractueel met de klant was vastgelegd zonder deze inzameling te vermelden in de boordcomputer, terwijl [verzoeker] zowel op 1 als op 15 mei (volgens HMS: een deel van het) extra ingenomen afval wel in de boordcomputer heeft vermeld. Het hof kan HMS niet volgen in haar redenering dat aan [verzoeker] met name open vragen zijn gesteld tijdens het gesprek op 2 juli 2015. De wijze van vraagstelling was niet steeds open maar geregeld suggestief (bijvoorbeeld:
Kunt u aangeven hoe vaak u extra afval hebt meegenomen bij AMAR (…) en hoeveel geld u daar hebt ontvangen voor dat extra afval?).[verzoeker] stelt voorts dat door HMS bij het verhoor geen rekening is gehouden met zijn psychische beperkingen, zoals deze blijken uit een neuropsychologisch onderzoek van 27 augustus 2014. [verzoeker] heeft in 2012/2013 een herseninfarct gehad, waarvan hij nog steeds restverschijnselen ondervindt. Door [verzoeker] is een verslag van voornoemd neuropsychologisch onderzoek in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zijn intelligentie werd geschat op 84, hij bekend is met dyslexie en dyscalculie, de mogelijkheid om kortdurend informatie op te slaan gestoord tot benedengemiddeld is en het werkgeheugen eveneens gestoord is. De neuropsycholoog heeft echter ook geconcludeerd dat [verzoeker] niet ernstig wordt belemmerd door de gevolgen van zijn herseninfarct, aangezien hij schrijft dat gezien de beperkte aard van de bevindingen (de andere geheugentaken, aandacht en concentratietaken en de psychomotorietaken waren ongestoord) de gevonden afwijkingen als nauwelijks klinisch relevant worden beschouwd. Hoewel het hof van oordeel is dat de wijze van verhoor niet de schoonheidsprijs verdient, ziet het hof geen aanleiding om de verklaring die [verzoeker] op 2 juli 2015 heeft afgelegd geheel buiten beschouwing te laten. Dit neemt niet weg dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] door de wijze van vraagstelling en het tonen van de beelden van een afvalinname waarbij hij niet betrokken was in elk geval ten dele op het verkeerde been is gezet, zodat de enkele verklaring van [verzoeker] van 2 juli 2015 niet toereikend is voor de onderbouwing van de dringende reden voor ontslag op staande voet. HMS heeft zich echter niet alleen beroepen op de verklaring van [verzoeker] van 2 juli 2015.
“Ik wil mij er op beroepen dat ik nooit en te nummer geld heb ontvangen voor af en toe meer afval meenemen. Ik heb dit uit klantvriendelijk gedaan (…) De hoeveelheden die ik bij de Groen en Fruithal heb meegenomen zijn mogelijk niet met de planning besproken. Ik weet dat niet precies meer. Ik overleg niet alles met de planning (…). Na mijn vakantie ben ik gestopt ben meer afval mee te nemen dan toegestaan.”
“Ik geloof dat hij mij 1x € 15,- heeft gegeven maar dat is lang geleden. Het is me niet goed bijgebleven. Ik heb daar geen melding van gemaakt (…) Nu ik erover nadenk ben ik dom bezig geweest. (…)”. Het eenmalig in ontvangst nemen van een bedrag van € 15,-, waarvan [verzoeker] heeft gesteld dat dit moet worden vergeleken met een ‘kerstgratificatie’ (zoals een krantenjongen een extraatje krijgt met de feestdagen), leidt naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat [verzoeker] beloningen van derden heeft aangenomen als een tegenprestatie voor het ophalen van extra afval. In zijn aanvullende verklaring van 7 juli 2015 heeft [verzoeker] betwist ooit geld te hebben ontvangen voor ‘af en toe meer afval meenemen’.