Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 juni 2016
[appellante],
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
bekrachtigd.
Gerechtshof Den Haag
Appellante is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, maar de rechtbank Rotterdam heeft deze regeling tussentijds beëindigd omdat zij haar verplichtingen niet naar behoren nakwam en nieuwe schulden liet ontstaan. De bewindvoerder rapporteerde dat appellante sinds het begin van de regeling onvoldoende informatie verstrekte en haar sollicitatieverplichting niet nakwam. Tevens ontstond een nieuwe schuld van €190,- bij de zorgverzekeraar en een boedelachterstand van €169,20.
Appellante voerde aan dat zij niet in staat was haar verplichtingen na te komen, maar het hof oordeelde dat zij tijdig hulp had moeten vragen en dat haar tekortkomingen toerekenbaar zijn. Het hof stelde vast dat appellante onvoldoende inspanningen had verricht om betaald werk te vinden sinds zij haar baan van 32 uur medio augustus 2014 had beëindigd.
Gezien de voortdurende tekortkomingen en het ontbreken van aannemelijk bewijs dat zij de nieuwe schulden kan aflossen, acht het hof verlenging van de regeling niet opportuun. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2016 en beëindigt de schuldsaneringsregeling van appellante tussentijds.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en beëindigt de schuldsaneringsregeling tussentijds wegens niet-nakoming van verplichtingen en nieuwe bovenmatige schulden.