Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 13 september 2016
[appellant],
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het verdere verloop van het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Betrokkene heeft in detentie gezeten van 30/3/2016 tot en met 31/03/2016 en heeft de opgelegde straffen en maatregelen ondergaan en/of de verschuldigde bedragen betaald.”
eerste griefkomt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zich hier geen uitzonderingsgeval op de executieplicht voordoet. Dit onderbouwt hij met een beroep op het vertrouwensbeginsel. In het ontslagbewijs van de directeur van de PI staat volgens hem klip en klaar vermeld dat hij de straf en de geldboete in de zaak met het daaraan gekoppelde parketnummer heeft ondergaan/voldaan. Toen men in de PI aangaf dat men hem al ging ontslaan, heeft [appellant] actief navraag gedaan en niet klakkeloos geaccepteerd wat hem werd bericht. Zijn vragen hadden onderzoek aan de zijde van de Staat teweeg moeten brengen.
derde griefmocht [appellant] door het tijdsverloop tussen 31 maart 2016, de dag van zijn vrijlating, tot aan het moment waarop de executie weer ter hand werd genomen, eind juli 2016, zijnde bijna vier maanden, er steeds meer op vertrouwen dat het OM de executie niet langer zou nastreven.
tweede griefbetoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de kansen die [appellant] na zijn vrijlating heeft gecreëerd om als zelfstandig ondernemer in zijn onderhoud te voorzien, mede gelet op de korte meldingstermijn. Volgens hem moet bij een belangenafweging zijn (financieel) belang zwaarder wegen dan het belang van de Staat. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [appellant] daaraan nog toegevoegd, dat zijn partner in augustus een hernia-operatie dient te ondergaan, zodat hun drie honden geheel aan zijn zorg zijn overgelaten.