Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellanten 1 t/m 4]
7.Ten slotte is arrest bepaald.
alsdan aanwezige opstallenover te nemen. Nu er vanuit moet worden gegaan dat Windpark bevoegd is de windturbines voor het einde van het opstalrecht te verwijderen en zij de windturbines inmiddels heeft verkocht, zullen de windturbines bij het einde van het opstalrecht naar verwachting zijn ontmanteld en verwijderd. De in artikel 12.2 genoemde situatie doet zich dan ook niet voor, zodat de Landeigenaren daarop geen gegrond beroep toekomt.
Exceptief verweer / aanvullende grief in het voorwaardelijk incidenteel appel van Windpark
het rechtde duur van het opstalrecht te verlengen. Voorts is in de akte bepaald dat indien Windpark van haar recht op verlenging gebruik
“wenst”te maken, zij de Landeigenaren hiervan schriftelijk op de hoogte dient te stellen. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat Windpark het recht en dus niet de plicht heeft de duur van het opstalrecht te verlengen en dat het uitdrukkelijk is overgelaten aan haar ‘wens’ om dat te doen of niet. Windpark heeft weliswaar in het kader van een eventuele verlenging van het opstalrecht een nieuwe subsidieaanvraag gedaan voor nieuwe windturbines, maar nu zij dat onverplicht heeft gedaan, kan haar het mislukken daarvan niet worden tegengeworpen in die zin dat zij daarvoor schadeplichtig zou zijn.
met dien verstandedat wanneer de Landeigenaren gebruik maken van het recht als bedoeld in artikel 12.2,
de Opstallerniethet wegneemrecht, als in dit lid 12.1 bedoeld,
heeft.” Daaruit volgt dat zodra de Landeigenaren een beroep doen op hun recht uit artikel 12.2 om de windturbines over te nemen, het recht van Windpark tot het wegnemen van die windturbines vervalt.