Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 12 januari 2016
J&P Consultants B.V.,gevestigd te Waalwijk,
Olympia Nederland B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(a) Tussen (de rechtsvoorganger van) Olympia en J&P zijn vier franchiseovereenkomsten gesloten waarbij Olympia aan J&P het recht van franchise heeft verleend om Olympia Uitzendbureaus te exploiteren onder de Olympia-franchiseformule. In artikel 19 onder Pro b van de franchiseovereenkomsten is bepaald dat franchisenemer aan de franchisegever een franchisefee is verschuldigd van 33% van de door de franchisenemer gerealiseerde brutomarge per jaar. Het begrip ‘brutomarge’ is in artikel 1 onder Pro c gedefinieerd als:
(b) Volgens een in opdracht van Olympia opgesteld rapport van KPMG van 27 juni 2013 heeft Olympia in de jaren 2009 tot en met 2012 terzake van de kostprijs van uitzendkrachten voorzieningen bij haar franchisenemers in rekening gebracht die hoger waren dan de werkelijk door Olympia gemaakte kosten. De verschillen bedroegen over de desbetreffende jaren € 5,4 miljoen (2009), € 11,7 miljoen (2010),
€ 10,6 miljoen (2011) en 10,6 miljoen (2012).
(c) Partijen hebben op 9 oktober 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is bepaald dat Olympia tegen voorwaardelijke finale kwijting aan J&P een nabetaling zal doen van € 234.836,-- inclusief BTW, strekkende tot kostprijscompensatie over het verleden. Wat betreft de tussen partijen overeengekomen voorwaarden en afspraken wordt in de vaststellingsovereenkomst verwezen naar het Convenant tussen Olympia en de Vereniging Olympia Franchisenemers van 21 oktober 2013. Ingevolge artikel 2 van Pro dit Convenant is voorwaarde voor het geven van finale kwijting door de deelnemers dat partijen concreet overeenstemming bereiken over een nieuw conditiestelsel voor de toekomst, welk conditiestelsel zowel voor Olympia als voor een gekwalificeerde meerderheid van de deelnemers, minimaal 80%, aanvaardbaar is. Over een nieuw conditiestelsel is geen overeenstemming bereikt.
(d) Olympia heeft het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van
€ 234.836,-- aan J&P betaald.
Tegen deze eiswijziging heeft Olympia geen bezwaar gemaakt, zodat het hof uitgaat van de eis zoals gewijzigd.
voor dat doelzijn aangewend, waarbij niet terzake doet of deze wellicht voor een ander doel zijn aangewend. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat een deel van de franchisenemers, waaronder J&P, kortingen geniet met als gevolg dat de franchisefee die Olympia ontvangt aanzienlijk lager is dan de contractueel overeengekomen franchisefee. Het is de beslissing van Olympia om die kortingen te geven. Het gaat dan niet aan dat zij, door voorzieningen voor bepaalde kosten hoger vast te stellen dan de werkelijke kosten en het verschil niet terug te betalen, in feite eenzijdig een hogere franchisefee in rekening brengt, zonder dat J&P hiermee heeft ingestemd.
Het hof merkt op dat in het rapport van OC&C onder 21 wordt gesteld dat de kosten van de franchisegever
licht zijn toegenomendoor inflatie en sterk toegenomen dienstverlening aan franchisenemers, onder verwijzing naar schema 30 bij het rapport. Volgens dat schema zijn de operationele kosten in de periode 2010-2015 in absolute zin met 14% toegenomen, maar in relatieve zin – als percentage van de omzet van Olympia – slechts met 0,2%. Wat daarvan zij, ook indien aangenomen moet worden dat Olympia (onverplicht) haar dienstverlening heeft uitgebreid en daardoor meer of andere kosten heeft gemaakt dan waarvoor een vergoeding in de overeenkomst is voorzien, is dat in beginsel haar eigen keuze. Zij kan de keuze voor meer of andere dienstverlening dan is overeenkomen ook aan de franchisenemers voorleggen, waarbij zij als voorwaarde kan stellen dat de franchisenemers hiervoor een extra vergoeding betalen. Ook kan Olympia, althans bij (op)nieuw te sluiten franchiseovereenkomsten, de franchisefee aanpassen. Daartoe kan voorts aanleiding zijn indien, zoals Olympia stelt, gelet op de ondernemersrisico’s die zij loopt, de verdeling van de brutomarge tussen haar en de franchisenemers niet redelijk zou zijn. Hierbij geldt voor Olympia en J&P dat zij als contractspartijen gehouden zijn de redelijkheid en billijkheid jegens elkaar in acht te nemen. Olympia is echter niet gerechtigd zonder instemming van J&P de kosten van niet overeengekomen dienstverlening aan J&P in rekening brengen door (bewust) een hogere voorziening voor de kostprijs van uitzendkrachten vast te stellen dan de werkelijke kostprijs.