Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 november 2016
[appellante] ,
de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam,
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het argument van [appellante] dat geen van de klachten te maken had met haar praktijkvoering, zoals bedoeld in artikel 46 en Pro 60b Advocatenwet, wordt verworpen. Artikel 60b van de Advocatenwet spreekt van “een advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen”. Hieronder dienen naar het oordeel van het hof niet alleen verstaan te worden het voeren van een zorgvuldige (financiële) administratie en het voldoen aan de opleidingseisen, maar ook de andere gedragingen waarop een advocaat tuchtrechtelijk kan worden aangesproken als omschreven in artikel 46 van Pro de Advocatenwet. Dat het begrip “een behoorlijke uitoefening van de praktijk” in artikel 60b van de Advocatenwet beperkt moet worden uitgelegd, heeft [appellante] onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Het hof overweegt dat niet duidelijk is tegen welk oordeel van de rechtbank de grief zich richt. Voor zover [appellante] wil betogen dat het niet mogelijk was om over haar handelen als vereffenaar een klacht in te dienen bij de Orde van Advocaten, en dat de deken dergelijke klachten derhalve niet in behandeling had mogen nemen, wordt de grief verworpen. Ook het handelen van [appellante] als vereffenaar kan op de voet van artikel 46 van Pro de Advocatenwet onder het tuchtrecht vallen, namelijk indien sprake is van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, waarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Het hof verwerpt de grief, nu [appellante] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft erkend dat het indienen van de tweede dekenklacht niet kan worden aangemerkt als onrechtmatige daad.
Het hof verwerpt zowel grief IV als de klachten uit grief I die zien op de wijze van procesvoering van de deken bij de Raad van Discipline. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van verwijt 4, dat het (meermalen) vragen om uitstel door de deken aan de Raad van Discipline van de in april 2010 geplande mondelinge behandeling in de procedure over de ambtshalve tuchtklacht uit 2008 niet als onzorgvuldig of onrechtmatig kan worden beschouwd. De dekenklacht was immers ingediend omdat tegen [appellante] in het verleden veel klachten door de Orde van Advocaten waren ontvangen. Voor de beoordeling van de ambtshalve tuchtklacht en de beslissing of een maatregel moest worden opgelegd aan [appellante] was mogelijk relevant of de situatie in de periode tussen het indienen van de klacht in 2008 en de mondelinge behandeling in 2010 wellicht was verbeterd, kortom: of er nog nieuwe, terechte, klachten waren ingediend. Aangezien het onderzoek van de deken naar deze klachten nog niet was afgerond, heeft hij aan de Raad van Discipline om uitstel van de mondelinge behandeling gevraagd. Dit was in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof een begrijpelijk en redelijk verzoek, en niet onrechtmatig, ook niet in het licht van de uitspraak in de Chedie-zaak. De Raad van Discipline heeft het uitstelverzoek gehonoreerd. Deze beslissing komt toe aan de Raad van Discipline. Daarbij is relevant dat, zoals de rechtbank heeft overwogen en [appellante] in hoger beroep niet heeft bestreden, gesteld noch gebleken is dat [appellante] destijds bij de Raad van Discipline bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek tot aanhouding van de zaak. In het midden kan blijven of, zoals [appellante] stelt, de deken in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de Raad van Discipline van 6 oktober 2008 tot aanhouding van de zaak niets aanvoert dat de gegrondheid van de in 2008 ingediende klacht onderbouwt, nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit enkele feit jegens [appellante] onrechtmatig zou zijn. Ook het feit dat de deken de ambtshalve klacht in een later stadium van de procedure, toen volgens [appellante] duidelijk was dat de reden van het indienen van de klacht niet meer bestond, niet heeft ingetrokken, levert geen misbruik van bevoegdheid op. Daarbij is van belang dat er inmiddels, in verband met de nalatenschap [naam 7] , enkele nieuwe klachten tegen [appellante] waren ingediend, te weten op 1 augustus 2008 een klacht van mevrouw [naam 6] en in december 2009 een klacht van mevrouw [naam 7] (welke klacht zij in oktober 2010 heeft ingetrokken), en dat bovendien uit het rapport van de heer [naam 8] RA van 2010 was gebleken dat [appellante] de Boekhoudverordening had overtreden. Dat de klachten van [naam 6] en [naam 7] zijn ingediend tegen [appellante] als vereffenaar van de nalatenschap brengt niet mee dat deze door de deken niet als zodanig mochten worden meegewogen, aangezien deze klachten (tevens) zagen op het schenden van het vertrouwen in de advocatuur. Uit de uitspraak van de Raad van Discipline van 2 mei 2011 (productie 7 bij conclusie van antwoord) blijkt dat de deken aan de Raad van Discipline had laten weten dat de praktijkvoering van [appellante] na oktober 2008 een stuk beter leek te gaan en dat er niet meer, zoals in het verleden, veel klachten waren binnengekomen, in verband waarmee hij zijn oorspronkelijke verzoek tot schrapping van het tableau heeft gewijzigd in een verzoek tot schorsing. Dit stond hem vrij. De deken was niet gehouden om zijn klacht volledig in te trekken.
Ook deze grief wordt verworpen. Voor zover de klachten tegen mr. [naam 9] uitsluitend betrekking hadden op zijn handelen als vereffenaar, heeft de deken klagers terecht doorverwezen naar de rechter-commissaris. Voor zover de klachten tevens zagen op een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, waarmee de klacht onder het bereik van het tuchtrecht voor advocaten kwam, heeft de deken klagers terecht doorverwezen naar de Antwerpse Orde aangezien mr. [naam 9] een Belgische advocaat is die niet is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten en derhalve niet valt onder het Nederlandse tuchtrecht. De Haagse en Rotterdamse deken waren evenmin gehouden om ter zake van deze klachten een bemiddelingsgesprek te voeren.
Ook deze grief kan niet slagen. Van een verplichting van de deken om, indien een klacht wordt ingediend bij de Orde van Advocaten, deze klacht niet direct in behandeling te nemen maar eerst de interne klachtprocedure via de kantoorklachtenregeling af te wachten, is geen sprake. Het hof overweegt dat het wel tot de taken van de deken behoort om ingeval van een klacht tegen een advocaat hierin een actieve bemoeienis te hebben. Zo dient hij onder meer een onderzoek in te stellen naar de klacht, en kan hij trachten om de klacht in der minne te schikken. Dit betekent echter niet dat de deken in alle gevallen een bemiddelingsgesprek moet voeren. Daarbij merkt het hof op dat het huidige artikel 46d van de Advocatenwet in 2008 nog niet in werking was getreden, en dat de beslissing van de deken om al dan niet een bemiddelingspoging te doen blijkens de uitspraak van de Raad van Discipline van 22 februari 2012, ECLI:NL:TADRAMS:2012:YA2481, valt binnen zijn beleidsvrijheid. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank op dit punt. Voor zover [appellante] in haar memorie van grieven ervan uitgaat dat een bemiddelingsgesprek wettelijk is voorgeschreven, faalt de grief.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2014;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Orde van Advocaten c.s. tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht, € 2.682,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.