Uitspraak
arrest van 20 december 2016
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
Het geschil
- onduidelijk is in hoeverre de in de samenlevingsovereenkomst gemelde wetsartikelen wel of niet van overeenkomstige toepassing zouden moeten zijn;
- in de overeenkomst wordt het begrip ‘draagkrachtig’ niet ingevuld. In de artikelen 1:157 BW en volgende wordt dit begrip ook niet uitgewerkt. Noch in de overeenkomst noch in voormelde artikelen wordt naar de Trema-normen verwezen. Daarmee is ook onduidelijk op wie nu concreet de verplichting tot betaling van alimentatie rust;
- uit de samenlevingsovereenkomst blijkt niet wat de hoogte van de uitkering is. De gemelde aanknopingspunten zijn onvoldoende concreet; ook de vrouw geeft daar geen nadere invulling aan;
- partijen hebben bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst niet gesproken over de (inhoud van de) begrippen behoefte en draagkracht;
- ook de duur van de alimentatieverplichting is voor partijen onduidelijk;
- de rechter heeft geen rol waar het ex-samenlevers betreft die discussiëren over (onder andere) de wijze van berekening en verdere invulling van de overeenkomst en de verplichtingen daaruit;
- de vergelijking die de vrouw maakt met huwelijkse voorwaarden gaat niet op.
‘Volgens vaste jurisprudentie dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De vrouw zal dan ook een onderbouwde behoeftelijst moeten overleggen.’ Omtrent de duur van de alimentatie heeft de man in zijn conclusie van antwoord gesteld:
‘Voorzover uw rechtbank wel van mening is dat de vrouw behoefte heeft aan een alimentatiebijdrage en de man draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen, dan wijst de man nog op artikel 1:157 lid 6 BW Pro. Nu partijen in het samenlevingscontract aansluiting hebben gezocht bij dit artikel, geldt ook lid 6 voor partijen.’