In deze civiele zaak stond de vergoeding van het geneesmiddel infliximab onder de Zorgverzekeringswet centraal. Apotheek Ridderveld c.s. vorderde betaling van Achmea, waarbij Achmea stelde dat de verzekerde voorafgaand aan de behandeling met infliximab niet met antibiotica was behandeld, een vereiste voor vergoeding.
Het hof had eerder een tussenarrest gewezen waarin Achmea werd toegelaten tot bewijslevering van deze stelling. Achmea slaagde er echter niet in om dit bewijs te leveren, omdat zij de medicatiehistorie van de verzekerde niet overlegde en geen ander bewijs aanvoerde.
Op basis van eerdere tussenarresten en het ontbreken van bewijs van Achmea vernietigde het hof het bestreden vonnis. Het veroordeelde Achmea tot terugbetaling van een bedrag aan Apotheek Ridderveld c.s. en legde betalingsverplichtingen op aan Apotheek Ridderveld en Sprint tegenover Achmea. De proceskosten werden gecompenseerd en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.