Uitspraak
REKENING
- Uitgraven onder bestaande b.g.g. vloer i.v.m. werkhoogte heimachine € 16.200,00
- Aanbrengen 26 stalenbuispalen rond 273 mm, 18 m lang € 44.460,00
- Kosten i.v.m. heiwerk van 7.00 tot maximaal 11.30 € 4.500,00
- Inkassingen hakken 25 stuks € 2.080,00
- Betonnen werkvloer storten € 1.500,00
- Wapening leveren en aanbrengen € 9.520,00
- Betonvloer storten € 6.000,00
- 2 puincontainers € 790,00
- Aan/afvoer materieel/materiaal € 250,00
- Sonderingen € 1.680,00
- Tekeningen/berekeningen € 4.440,00
- Precario + verzekering
€ 9.272,00
Totaal exclusief Btw. € 101.992,00
- Uitgraven onder bestaande b.g.g. vloer i.v.m. werkhoogte € 7.200,00
- Werkvloer storten € 2.500,00
- Paalkop verlaging toepassen / prijs per paal
- Fundering slopen en aanhelen voor de toegang naar onder het pand € 2.430,00
- Fase 2:
- Uitgraven en grond overbrengen naar fase 1 + gedeelte afvoeren € 7.200,00
- Werkvloer storten € 2.500,00
- Paalkop verlaging toepassen / prijs per paal
- Fundering slopen en aanhelen voor de toegang naar onder het pand € 3.960,00
- Zand / grond aanvullen tot 1m boven de onderkant fundering € 3.960,00
- 3 puincontainers € 1.185,00
- Aan/afvoer materieel/materiaal € 250,00
- Precario + verzekering
€ 2.852,50
Totaal exclusief Btw. € 31.377,50
BNB1997/288). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat voldaan is aan de vereisten voor de vorming van een herinvesteringsreserve.
BNB2016/223). De Inspecteur heeft in dit verband – onder verwijzing naar het arrest HR 16 april 1997, nr. 31745, ECLI:NL:HR:1997:AA2125,
BNB1997/189 – gesteld dat belanghebbende via haar dochtermaatschappij deel uitmaakt van de maatschap en dat het pand [C] oorspronkelijk niet ter belegging werd aangehouden doch in eigen gebruik was als bedrijfspand. Het kantoorpand heeft deze eigengebruiksfunctie volgens de Inspecteur geheel overgenomen, zodat het pand [C] , nadat de maatschap het kantoorpand in gebruik heeft genomen, een zuivere beleggingsfunctie kreeg.
BNB1989/5 en HR 23 oktober 2009, nr. 43924, ECLI:NL:HR:2009:BK0894,
BNB2010/8). In het verlengde hiervan heeft te gelden dat wanneer een pand binnen de fiscale eenheid wordt verhuurd sprake is van een pand dat wordt gebruikt binnen de eigen materiële onderneming (vgl. onder meer HR 16 april 1997, nr. 31745,
BNB1997/189 en HR 15 oktober 2004, nr. 39647, ECLI:NL:HR:2004:AP6783,
BNB2004/439). Bepalende vraag die voorligt is of in het onderhavige geval sprake is van (gedeeltelijke) verhuur binnen de fiscale eenheid. Deze vraag dient bevestigend beantwoord te worden. Het kantoorpand wordt sinds de aanschaf ervan door belanghebbende aan de maatschap verhuurd. De maatschap is evenwel geen zelfstandig drager van rechten en plichten, omdat zij geen rechtspersoonlijkheid bezit. Het kantoorpand wordt derhalve juridisch bezien verhuurd aan de achterliggende participanten. Dit wordt onder meer tot uitdrukking gebracht doordat de huurvergoeding het winstaandeel van de individuele maten verlaagt. De in maatschapsverband behaalde winst komt immers na aftrek van onder meer de huurvergoeding aan ieder van de maten naar de mate van ieders gerechtigdheid toe. Het voorgaande brengt mee dat het kantoorpand door belanghebbende voor een vierde gedeelte aan [Y] B.V. wordt verhuurd. De omstandigheid dat belanghebbende en [Y] B.V. in het onderhavige jaar een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen, heeft tot gevolg dat het kantoorpand voor een vierde deel binnen de fiscale eenheid is verhuurd. In zoverre vervult het kantoorpand de functie van bedrijfspand in eigen gebruik.
BNB1977/3 heeft de Hoge Raad beslist dat afboeking van een vervangingsreserve op de verbetering van een bestaand bedrijfsmiddel verenigbaar is met het doel van artikel 14 Wet Pro IB 1964, mits het verbeterde bedrijfsmiddel economisch dezelfde functie in het bedrijf gaat vervullen als voorheen werd ingenomen door het vervreemde en het toen nog niet verbeterde bedrijfsmiddel tezamen. Artikel 3.54 Wet IB 2001 heeft hierin geen verandering gebracht aangezien met deze bepaling beoogd wordt beclaimde stille reserves vrij aan te wenden voor herinvesteringen (zie het Besluit van 5 december 2006, nr. CP2006/1173M, onderdeel 2.6,
BNB2007/34). Hoewel onderdeel 2.6 van dit besluit niet is opgenomen in het vervangende Besluit van 9 december 2011,
BNB2012/85, leidt dit niet tot een ander oordeel aangezien uit laatstgenoemd besluit blijkt dat hiermee geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van het oude besluit is beoogd. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat funderingsherstel niet kwalificeert als verbetering doch als onderhoud en dat mitsdien ter zake van de met het vervreemde bedrijfsmiddel gerealiseerde boekwinst geen herinvesteringsreserve gevormd kan worden. Indien funderingsherstel wel als een verbetering aangemerkt dient te worden, is naar de mening van de Inspecteur sprake van een uitbreidingsinvestering waarvoor geen herinvesteringsreserve gevormd kan worden.
BNB1957/190). Naar het oordeel van het Hof zijn de funderingswerkzaamheden zoals die blijken uit de offerte van 17 december 2012 naar aard en omvang zo ingrijpend, dat een wezenlijke verandering aan het kantoorpand aangebracht zal worden. De beoogde vervanging van de rottende houten funderingspalen door stalen buizenpalen en een betonnen fundering kwalificeert mitsdien als een verbetering.
BNB2016/188). De Rechtbank heeft de Inspecteur ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van het griffierecht,
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar,
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 179.350 (= € 255.844 - € 76.494), en
- en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig.
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.