Belanghebbende, bestuurder en enig aandeelhouder van een BV die zich bezighoudt met landbouw en dierenfokkerij, verkocht een hond aan zijn BV. De gemeente legde hem een aanslag hondenbelasting op voor het houden van deze hond.
Het geschil draaide om de vraag of belanghebbende na de verkoop houder van de hond bleef, of dat de BV als rechtspersoon houder werd. Het hof oordeelde dat de BV feitelijk de macht over de hond uitoefende en dus houder was, waarbij het houden van een hond niet exclusief aan natuurlijke personen is voorbehouden.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het houden van een hond slechts door natuurlijke personen kan worden uitgeoefend. Ook werd bevestigd dat proceskosten niet aan belanghebbende konden worden toegekend omdat hij zelf namens de BV optrad en er geen sprake was van door een derde verleende rechtsbijstand.
De Hoge Raad verklaarde beide cassatieberoepen ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof.