Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
of omstreeks15 november 2014 te Gouda toen de aldaar dienstdoende X (brigadier van politie Eenheid Den Haag) verdachte
op verdenking van het overtreden van artikel 11 van Pro de Wet openbare manifestaties, in elk gevalop verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt,
had aangehouden en vastgegrepen, althansvast had
teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Gouda, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig:
/of
/of
te rukken en/of trekken, in elk gevalzijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan
die waarindie opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtte
nte bewegen en
/of
bloeduitstorting op voornoemd been en/ofeen overbelaste
en/of ontstoken en/of gezwollenpols) bekwam.
- niet is onderzocht of komen vast te staan of de aanhouding van de verdachte, die toen demonstreerde, op dat specifieke moment daadwerkelijk noodzakelijk was voor de bescherming van een van de in de artikelen 10 en 11 van het EVRM genoemde belangen. Op het moment van de demonstratie zal, zo stelt de raadsman, moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke redenen om de demonstratie te verbieden nog steeds gelden, waarbij opnieuw moet worden gekeken naar de risico’s die de demonstratie meebrengt;
- uit de stukken blijkt niet dat de burgemeester opdracht had gegeven tot beëindiging van de demonstratie, zoals is voorgeschreven in artikel 7 van Pro de Wet op de openbare manifestaties (hierna: WOM);
- het is niet toegestaan om demonstranten op grond van artikel 11 van Pro de WOM aan te houden als die aanhouding het einde van de demonstratie tot gevolg heeft;
- waarom juist de verdachte uit de groep werd gehaald, is volstrekt onduidelijk;
- voor de verdachte was niet duidelijk dat hij was aangehouden en op grond waarvan hij was aangehouden;
- het optreden van de opsporingsambtenaren ten tijde van de aanhouding van de verdachte was disproportioneel; het gebruikte geweld was onaangekondigd en disproportioneel en dus in strijd met artikel 7 lid 1 Politiewet Pro, omdat dit geweld in verhouding tot het beoogde doel niet redelijk was.
- de aanhouding was ook in strijd met het beginsel van subsidiariteit, omdat ook op een andere manier een einde aan de situatie had kunnen worden gemaakt.
- Er is sprake van een steeds meer polariserende samenleving en ook op dit thema verhardt de discussie;
- Zowel op social media als op andere plaatsen in het publieke debat is deze polarisatie en verharding zichtbaar;
- Op de Markt in Gouda zal het publiek vooral bestaan uit mensen die in ieder geval niets tegen Zwarte Piet hebben maar die zich wel gemakkelijk tegen het anti zwartepiet protest kunnen keren;
- Op diezelfde Markt, waar de ruimte beperkt is, is geen ruimte om groepen gescheiden van elkaar te houden. Capaciteit is niet het probleem maar massale politie-inzet heeft over het algemeen geen de-escalerend effect;
- Verstoring van de openbare orde heeft direct effect op de veiligheid van toeschouwers en in het bijzonder de kinderen. Hierbij is het onder de voet lopen van kinderen met alle gevolgen van dien reëel aanwezig”.
bleef stil staan. Hij probeerde zoveel mogelijk zijn dood gewicht in de schaal te werpen, hij maakte zich zo zwaar mogelijk.(…)De agenten probeerden hem steeds vast te pakken en zijn armen recht te krijgen, maar elke keer probeerde hij weer de armen terug te brengen naar zijn zij. Hij veerde dan zijn armen terug”.
uit de groep. Agenten probeerden hem onder controle te krijgen. Het leek alsof hij aan het dansen was. Hij bewoog met zijn armen en benen”.
1.
wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.