Conclusie
te verstarren en
zijn spieren aan te spannen en
zijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan die waarin die opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen en,
rechtbank, die klachten hoe dan ook niet kunnen slagen. Die klachten laat ik in het navolgende onbesproken.
middelen 1 tot en met 5richten zich tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid. Deze middelen lenen zich dan ook voor een gezamenlijke bespreking.
“bij de wet zijn voorzien”en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (onder andere)
“de nationale veiligheid, de openbare veiligheid” en
“het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten”.De bevoegdheden inzake de beperking van de demonstratievrijheid zijn door de formele wetgever ingevolge de Wet openbare manifestaties (hierna: WOM) gedelegeerd aan de burgemeester. Hij is ingevolge art. 5, eerste lid, WOM bevoegd tot het stellen van beperkingen en/of voorschriften aan of verboden tot een demonstratie. Een beperking van de demonstratievrijheid dient echter altijd te worden gerechtvaardigd door een van de in artikel 2 WOM Pro (of art. 9, tweede lid GW) genoemde gronden, te weten ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. In het onderhavige geval zijn door de burgemeester van Gouda aan de demonstratie beperkingen opgelegd vanwege
“de vrees van wanordelijkheden”. De betekenis van het begrip ‘wanordelijkheden’ is contextafhankelijk; naast de aard van de gedragingen zijn bijvoorbeeld ook de orde en rust die normaal gesproken horen te heersen op de plaats waar zij worden verricht van belang. [4] Daarnaast geldt dat indien de (mogelijke) wanordelijkheden bij een demonstratie het gevolg zijn van heftige tegenreacties van derden, de demonstratievrijheid alleen dan kan worden beperkt indien de burgemeester aannemelijk kan maken dat die niet door extra politieinzet kan worden afgewend (m.a.w. een situatie van bestuurlijke overmacht). [5] De overheid heeft immers de positieve verplichting om het recht op demonstratie te waarborgen. In het geval hierop toch een inbreuk wordt gemaakt, toetst het EHRM onder meer of aan de inbreuk een redelijke beoordeling van relevante feiten ten grondslag lag. [6] Een individuele demonstrant die de door de burgemeester krachtens de WOM gestelde (gerechtvaardigde) beperkingen aan een demonstratie overtreedt, is op grond van art. 11 WOM Pro strafbaar en kan in beginsel op grond van art. 53 Sv Pro worden aangehouden. [7] Uit art. 11 EVRM Pro vloeit voort dat de inbreuk die door de aanhouding op de demonstratievrijheid wordt gemaakt in redelijke verhouding dient te staan tot de ernst van het strafbare feit. [8] Daarvan kan alleen sprake zijn indien de zojuist besproken belangen als genoemd in art. 2 WOM Pro (of art. 9, tweede lid, GW) worden bedreigd. Aangezien het aanhouden van álle demonstranten feitelijk neerkomt op een beëindiging van de demonstratie, vereist art. 7 WOM Pro daartoe een opdracht van de burgemeester. [9]
“het enkele vastpakken, moet worden aangemerkt als het ‘werkzaam zijn in de rechtmatige uitoefening zijner bediening’getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het is mij niet duidelijk waarop het middel deze stelling baseert. Het hof heeft immers overwogen dat:
“het recht om te demonstreren op de in de wet voorziene wijze was beperkt” en dat de verdachte dientengevolge in strijd met die door de burgemeester gestelde beperking aan de betreffende demonstratie heeft deelgenomen. Die deelname heeft de verdenking opgeleverd dat hij artikel 11 van Pro de WOM had overtreden, hetgeen een
“grond voor aanhouding van de verdachte”vormde. Dit oordeel getuigt gezien al het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
EVRM-problemen’ en wegens het niet aan hem melden waarom hij werd aangehouden, zou de aanhouding door [betrokkene 1] dat volgens de rechtbank niet zijn. Dit betreft volgens de verdediging echter een onjuiste invulling van het begrip ‘aanhouding’, aangezien een aanhouding voortduurt zolang de verdachte wordt vastgehouden. Dientengevolge was [betrokkene 1] niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, aldus de verdediging. [18]
“de opsporingsambtenaren, en derhalve ook opsporingsambtenaar [betrokkene 1] , verkeerde(n) in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening”. Het middel lijkt te klagen over het oordeel van de rechtbank hieromtrent, maar dat doet thans niet ter zake nu het vonnis van de rechtbank door het hof is vernietigd. De klacht kan daarom niet slagen. Het in het namens de verdediging gevoerde verweer genoemde punt dat de verdachte niet is medegedeeld
daten
waaromhij is aangehouden, komt bij de bespreking van het tweede middel aan bod.
bewijsverweer” heeft vormgegeven, het hof dit verweer ten onrechte heeft aangemerkt als een vormverzuimverweer, op grond van art. 359a Sv. Zodoende heeft het hof dit verweer verworpen op gronden die zijn beslissing niet kunnen dragen, aldus het middel. Daaruit volgt volgens de steller van het middel dat aangezien de aanhouding niet rechtmatig was, de verbalisant niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was.
“in strijd met art. 27c Sv”niet is medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt, kan het dan ook niet slagen. Dat geldt eveneens voor de klacht dat de aanhouding van de verdachte vanwege overtreding van art. 27c Sv onrechtmatig zou zijn.
“Aan de verdachte […] bij zijn staandehouding of aanhouding [wordt] medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt”,betreft een codificatie van de toentertijd reeds bestaande praktijk. [22] Een verdachte werd ook vóór de inwerkingtreding van art. 27c Sv bij zijn staandehouding en aanhouding meegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte werd aangemerkt. Het betrof een eis die terug te voeren viel op het fatsoen dat overheid in de verhouding tot de burger moet betrachten en werd reeds verwoord in art. 5, tweede lid EVRM en art. 9, tweede lid, IVBPR. [23] Dit voorschrift, en bij schending daarvan het rechtsgevolg, was ten tijde van de aanhouding van de verdachte nog niet in de nationale wetgeving opgenomen, maar betrof m.i. wel een vormverzuim dat aan de zittingsrechter kon (en kan) worden voorgelegd. [24]
“een onherstelbaar vormverzuim waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt”terwijl het hof geen aanleiding ziet om aan dat vormverzuim een van de in art. 359a Sv genoemde consequenties te verbinden en te
“volstaan met een constatering daarvan”niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Te meer nu het hof overweegt dat gesteld nog gebleken is dat de verdachte hier nadeel van heeft ondervonden. Ook uit (de toelichting op) het middel blijkt overigens niet welk belang van de verdachte hiermee zou zijn geschaad.
dat hij is aangehouden, en ook waarom”en dat de werkelijke reden voor zijn aanhouding onduidelijk zou zijn. Voor zover al sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, overweegt het hof hieromtrent onder meer dat
“gelet op hetgeen aan zijn aanhouding vooraf is gegaan de verdachte [heeft] kunnen en moeten begrijpen dat hij werd aangehouden omdat hij demonstreerde op een plek waar dat niet was toegestaan.
”Daarbij heeft de verdachte verklaard dat de verbalisanten hem ook hebben gezegd dat hij daar niet mocht demonstreren. Destijds had te gelden dat indien de verdachte niet redelijkerwijs in twijfel kon verkeren over de beschuldiging en de redenen daarvoor, de grondslag aan de eis tot mededeling op grond van welke verdenking een verdachte wordt aangehouden, ontviel. [25] Ook daarom acht ik ‘s hofs afwijzende beslissing, mede bezien tegen de achtergrond van hetgeen de verdediging aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Er is sprake van een steeds meer polariserende : samenleving en ook op dit thema verhardt de discussie;
Zowel op social media als op andere plaatsen in het publieke debat is deze polarisatie en verharding zichtbaar;
Op de Markt in Gouda zal het publiek vooral bestaan uit mensen die in ieder geval niets tegen Zwarte Piet hebben maar die zich wel gemakkelijk tegen het anti zwartepiet protest kunnen keren;
Op diezelfde Markt, waar de ruimte beperkt is, is geen ruimte om groepen gescheiden van elkaar te houden. Capaciteit is niet het probleem maar massale politie-inzet heeft over het algemeen geen de- escalerend effect;
Verstoring van de openbare orde heeft direct effect op de veiligheid van toeschouwers en in het bijzonder de kinderen. Hierbij is het onder de voet lopen van kinderen met alle gevolgen van dien reëel aanwezig.
sight and sound” criterium geschonden. Dientengevolge zouden de verbalisanten, waaronder verbalisant [betrokkene 1] , bij de aanhouding van de verdachte niet in de rechtmatige uitoefening van zijn/ hun bediening zijn geweest.
‘de vrees van wanordelijkheden’bij een demonstratie op de Markt te Gouda reëel te noemen is. De burgemeester komt tot de conclusie dat de demonstratie op een andere locatie plaats moet gaan vinden. Onder randnummer 8 heb ik het juridische regime voor de regulering van demonstraties uiteen gezet. Daaruit volgt dat het demonstratierecht, hoewel het een bijzondere status heeft, onder uitzonderlijke omstandigheden door de burgemeester kan worden beperkt. Het demonstreren op een andere plek dan gewenst, is zo’n beperking. Die beperking dient te worden gerechtvaardigd door een van de in art. 2 WOM Pro genoemde belangen. In het onderhavige geval betrof dat het voorkomen van wanordelijkheden. Hoewel de demonstratievrijheid niet beperkt mag worden op grond van een moreel oordeel of doel of onderwerp van die demonstratie, kan het wel betrokken worden bij de inschatting van de mogelijkheid dat zich wanordelijkheden zullen voordoen. [27] De burgemeester overweegt hieromtrent in zijn door het hof weergegeven oordeel dat de discussie over ‘Zwarte Piet’ de samenleving polariseert en verhardt en dat om de zojuist geciteerde omstandigheden een demonstratie op de Markt te Gouda
‘onverantwoord’wordt geacht. De steller van het middel zij toegegeven dat de reacties van derden op de demonstratie op zichzelf onvoldoende reden voor een beperking vormen, maar indien de burgemeester aannemelijk maakt dat uit een gedegen risicoanalyse een concrete dreiging blijkt die niet door extra politie-inzet kan worden afgewend, kan die beperking gerechtvaardigd zijn. [28] Daarvan is, gezien het oordeel van de burgemeester, sprake. Hij overweegt dat op de Markt te Gouda, waar de ruimte beperkt is, de verschillende groepen demonstranten niet uit elkaar gehouden konden worden, zodoende ook het gevaar bestond dat de aanwezige kinderen onder de voet gelopen zouden worden, en dat extra politie-inzet daarvoor geen oplossing kon bieden. Het hof overweegt dat de veiligheid van de verschillende demonstranten en het reguliere publiek slechts te waarborgen was indien die demonstraties op verschillende locaties plaats zouden vinden. In dat kader klaagt het middel ook over het ‘
sight and sound’ criterium. Dit criterium afkomstig uit de EHRM-rechtspraak schept de positieve verplichting voor de autoriteiten om demonstranten in de buurt van hun onderwerp of doel te laten demonstreren teneinde hun boodschap effectief te kunnen uitdragen. [29] Echter, deze verplichting reikt zover als dit
mogelijkis zonder dat bijvoorbeeld een fysiek (gewelddadig) treffen dreigt. [30] Gezien de nadere bewijsoverweging van het hof, waarin het besluit van de burgemeester betrokken is, ligt in ‘s hofs oordeel besloten in dit specifieke geval een zodanig treffen niet kon worden uitgesloten, waardoor het de beperking op het demonstratierecht gerechtvaardigd achtte. ‘s Hofs oordeel dat de demonstratie daarmee op de
‘bij de wet voorgeschreven wijze’is beperkt en door die beperkingen niet onmogelijk is gemaakt, acht ik, mede gezien hetgeen ik onder randnummer 8 heb vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
‘daartoe werd overgegaan op een moment dat juist die omstandigheden acuut dreigden, met het oog waarop de daartoe bevoegde burgemeester een demonstratie daar ter plaatse enige dagen tevoren besloot te voorkomen’.De woorden
“die omstandigheden”slaan terug op de omstandigheden die aan de beslissing van de burgemeester ten grondslag lagen en die ik onder randnummer 29 heb opgesomd. Eén van die omstandigheden was dat verstoring van de openbare orde direct effect heeft op de veiligheid van toeschouwers en in het bijzonder de kinderen, waarbij het onder de voet lopen van kinderen met alle gevolgen van dien reëel aanwezig is geacht. De omstandigheden zijn dus ruimer en gaan aanmerkelijk verder dan slechts een onveiligheidsgevoel van ouders en kinderen. Daarmee faalt deze klacht.
“door te lopen”, hij desalniettemin is blijven staan. Getuige [getuige 1] heeft daarbij bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte geprobeerd heeft om tijdens zijn aanhouding
“zijn dood gewicht in de schaal te werpen, hij maakte zich zo zwaar mogelijk”en dat hij probeerde zijn armen terug te brengen naar zijn zij op het moment dat de agenten zijn armen probeerde vast te pakken. Daarbij heeft een andere getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat het leek of hij tijdens zijn aanhouding aan het dansen was, dat hij
“bewoog met zijn armen en benen”. Tot slot heeft het hof overwogen dat uit de verklaring van verbalisant [betrokkene 1] blijkt dat de verdachte zich in zijn ogen
“zodanig verzette dat het niet lukte om hem onder controle te brengen”. In ’s hofs oordeel ligt besloten dat het feitelijke, handtastelijke optreden van de verdachte de voltooiing van de werkzaamheid van de politieagenten fysiek onmogelijk trachtte te maken. Mede in aanmerking genomen dat het bestanddeel ‘geweld’ in de zin van art. 180 Sr Pro ruim moet worden opgevat, acht ik ‘s hofs oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
“enig lichamelijk letsel”tot gevolg heeft, een sanctie worden opgelegd als in art. 181 Sr Pro omschreven. Tussen de wederspannigheid en het in het eerste lid van art. 181 Sr Pro omschreven gevolg, te weten “
enig lichamelijk letsel”dient een causaal verband te bestaan. De gevolgen dienen zich te openbaren bij de personen tegen wie het verzet was gericht, maar hoeven daarbij niet voort te vloeien uit het geweld zelf. Het lichamelijk letsel kan ook uit ander omstandigheden in verband met die wederspannigheid voortvloeien. [32] Voor zover het middel klaagt dat hiertoe een andere maatstaf dient te worden aangelegd dan zojuist geschetst, faalt het reeds. In het onderhavige geval heeft het hof hieromtrent (onder andere) tot het bewijs gebezigd de verklaring van verbalisant [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) waaruit volgt dat de verdachte tijdens de gehele aanhouding
“op elke wijze voor hem mogelijk [heeft] tegengewerkt”en dat de verdachte door zijn lichaam aan te spannen, te verstarren en in tegengestelde richting te bewegen, er bij verbalisant [betrokkene 1] “
grote krachten op mijn polsen werd gebracht”. Bij de rechter-commissaris heeft verbalisant [betrokkene 1] voorts verklaard (bewijsmiddel 4) dat hij bij de aanhouding
“zijn pols [moest] overstrekken’. Ook heeft het hof tot het bewijs gebezigd een geneeskundige verklaring (bewijsmiddel 5) waaruit volgt dat verbalisant [betrokkene 1] letsel aan zijn pols heeft. ’s Hofs oordeel dat verbalisant [betrokkene 1] ten gevolge van het door de verdachte gebruikte geweld enig lichamelijk letsel, te weten een overbelaste pols, heeft opgelopen acht ik dan ook, mede gezien hetgeen ik zojuist besprak, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht faalt.
“wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”nu de verklaring van verbalisant [betrokkene 1] het enige bewijsmiddel voor het kwalificerende bestanddeel, te weten “
enig lichamelijk letsel”, van art. 181 Sr Pro vormt. Deze klacht slaagt niet, omdat het vaste rechtspraak is dat ook in situaties waarin de opsporingsambtenaar zelf het slachtoffer is van het strafbare feit waarover hij in het proces-verbaal relateert, geldt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd door de rechter kan worden aangenomen op basis van een enkel, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Zie art. 344, tweede lid, Sv. [33] Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het bewezenverklaarde ‘
lichamelijk letsel’ los zou staan van de bewezenverklaring in zijn geheel, waardoor voor het bewezenverklaarde lichamelijk letsel meer dat één bewijsmiddel benodigd zou zijn, vindt die veronderstelling geen steun in het recht.