Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 oktober 2017
[naam 1] ,
de Gemeente Goeree-Overflakkee,
Deltahout B.V.,
de Gemeente Goeree-Overflakkee,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…) Vandaag, 15-2-2007 hebben wij met [C] hierover overeenstemming bereikt en u direct hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. Dat per onmiddellijke ingang (14.00 uur) de productie door [eenmansbedrijf] in het pand (…) beëindigd zijn. (…)”
(…)
“(…) Vanaf het moment van omheining hebben diverse belanghebbenden uw college meerdere malen verzocht hun eigendommen / goederen onder begeleiding af te voeren. Aanvankelijk heeft u college de mogelijkheid toegezegd, maar later om diverse redenen weer ingetrokken. Ik verzoek u voor zover nog sommeer ik u namens mijzelf en belanghebbenden onder begeleiding zo spoedig mogelijk toegang te verschaffen om de eigendommen / goederen vanuit de omheining weg te nemen. (…)”
“(…) De klus voor Deltahout moet ik binnen 14 dagen klaar hebben, omdat anders het hout gaat schimmelen en de eindgebruiker de producten afkeurt. (…) Ik verzoek u om mij direct toegang tot mijn bedrijf te geven, zodat ik snel verder kan met mijn werk, en de schade hopelijk zal meevallen.”
grieven I-IIIvoert [appellant] aan dat er nimmer een geldig besluit van 10 mei 2007 is genomen, zodat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de formele rechtskracht van dat besluit. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte niet aangenomen dat er een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht moet worden gemaakt. Met
grief IVvoert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte niet in haar overwegingen heeft betrokken dat de VROM-Inspectie er in de brief van 30 juli 2007 op had aangedrongen dat er geen onomkeerbare maatregelen zouden worden getroffen.
Grief Vis gericht tegen het oordeel dat de Gemeente, door de uitslag van enkele lopende procedures niet af te wachten, niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.
Grief VIkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet valt in te zien dat de belangen van [appellant] door de toegepaste bestuursdwang zijn geschaad, zodat er van onevenredigheid tussen de belangen van [appellant] enerzijds en die van de Gemeente anderzijds geen sprake kan zijn.
Grief VIIis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente een gerechtvaardigd belang had bij het toepassen van bestuursdwang en
grief VIIIkomt op tegen het oordeel dat de Gemeente geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. De
grieven IX en Xzijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen als zodanig.
- een bezwaar van derden ( [D] , [F] en [E] ) tegen het besluit van 10 mei 2007;
- een door [D] , [F] en [E] ingediend verzoek tot schorsing van het besluit van 10 mei 2007;
- mediation tussen derden (de gebruikers van het pand) en de Gemeente;
- een door [appellant] aanhangig gemaakt kort geding tot ontruiming door [X B.V.] , [D] en anderen ( [F] en [E] ) van het pand.
gevolgddoor een brief van 7 augustus 2007 van de Gemeente (productie 19 bij inleidende dagvaarding) waarin [appellant] werd gemaand om in een termijn van één week hekken met sloten te plaatsen. Ook als juist is dat de betrokken ambtenaar met betrekking tot deze brief op eigen houtje heeft gehandeld, zoals [appellant] in hoger beroep stelt (randnummer 143 memorie van grieven), brengt dat niet mee dat [appellant] op voormelde toezegging van de wethouder mocht vertrouwen, omdat de betreffende brief kennelijk namens de Gemeente is verzonden en [appellant] niet stelt dat hij destijds niet heeft aangenomen dat in deze brief het standpunt van de Gemeente was neergelegd. Ook als juist is wat [appellant] met betrekking tot de gestelde toezegging van de wethouder stelt, kan dat dus niet tot toewijzing van zijn vordering leiden, zodat het bewijsaanbod terzake wordt gepasseerd.
grieven I-IIIzijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de brief van 10 mei 2007 een besluit is dat formele rechtskracht heeft gekregen, waarop in dit geval geen uitzondering kan worden aangenomen. Met
grief IVvoert Deltahout aan dat de rechtbank ten onrechte niet in haar overwegingen heeft betrokken dat de VROM-Inspectie er in de brief van 30 juli 2007 op had aangedrongen dat er geen onomkeerbare maatregelen zouden worden getroffen.
Grief Vis gericht tegen het oordeel dat de Gemeente, door de uitslag van enkele lopende procedures niet af te wachten, niet onrechtmatig jegens Deltahout heeft gehandeld.
Grief VIkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. Met
grief VIIbetoogt Deltahout dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Deltahout als derde gebonden is aan de beschikking van 10 mei 2007 en dat de Gemeente het recht had om bestuursdwang toe te passen.
Grief VIIIis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Deltahout onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij daadwerkelijk een verzoek tot vrijgave van het opgeslagen hout heeft gedaan, dat uit de stellingen van Deltahout niet kan worden opgemaakt dat zij haar zaken wilde weghalen en dat moet worden aangenomen dat áls Deltahout een dergelijk verzoek zou hebben gedaan, de Gemeente hetzelfde zou hebben beslist als ten aanzien van de evangelisatiebus.
Grief IXis gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig en tegen de veroordeling van Deltahout in de proceskosten.
“Namens hieronder vermelde bedrijven maak ik bezwaar tegen bovengenoemde maatregel van heden. (…) namens cliënten houd ik u aansprakelijk voor alle nadelige schadelijke gevolgen.”In die brief is niet vermeld dat er hout van Deltahout op het terrein lag opgeslagen en is evenmin verzocht om vrijgave daarvan. De meer algemene frase dat de Gemeente aansprakelijk wordt gehouden voor eventuele schade, is daarom niet zo specifiek dat de Gemeente daaruit een verzoek om afgifte van het materiaal had moeten afleiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Deltahout niet heeft gesteld dat het voor de Gemeente op enige andere manier duidelijk had moeten zijn dat er hout dat eigendom was van Deltahout, op het afgesloten terrein was opgeslagen.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2014;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 5.160,- aan verschotten en € 9.160,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2014;
- veroordeelt Deltahout in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.937,- aan verschotten en € 3.262, aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;