Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2020 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Nieuwegein, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De gemachtigde van eiser heeft verklaard dat hij opdracht heeft gekregen van de bewindvoerder om deze procedure te voeren. De rechtbank merkt de bewindvoerder dus aan als de formele procespartij, maar voor de leesbaarheid van deze uitspraak verwijst zij naar [onderbewindgestelde] als ‘eiser’.
Mag de rechtbank alle geheime stukken inzien?
De bestuurlijke rapportage mag de rechtbank vanwege het ontbreken van toestemming van eiser niet bij het de beoordeling van het beroep betrekken. Daarbij geldt wel, dat de rechtbank aan het weigeren van toestemming bepaalde gevolgen kan verbinden (zie overweging 17).
Waarover gaat het geschil?
De politie heeft eiser op 25 maart 2018 opnieuw staande gehouden en heeft geconstateerd dat hij weer inbrekerswerktuigen vervoerde. De dwangsom van € 5.000,- is daarom van rechtswege verbeurd, dat wil zeggen dat eiser het bedrag aan verweerder moet betalen. Verweerder is vervolgens overgaan tot invordering van dat bedrag. Eiser is het hiermee niet eens.
Wie is bevoegd om te handhaven?
Hoewel het hier om een andere kwestie gaat, ziet de rechtbank hierin aanleiding om ook in dit geval te oordelen dat er alleen ruimte is om niet tot handhaving over te gaan als de door de burgemeester genomen last onder dwangsom evident in strijd is met het recht. Dat is hier niet het geval. In voorkomende gevallen kan de burgemeester namelijk een zelfde soort last onder dwangsom opleggen als nu is genomen als hij dat doet om de openbare orde feitelijk te herstellen. Ook zou in een APV geregeld kunnen zijn dat de burgemeester deze bevoegdheid heeft in plaats van verweerder. Aan het zogenaamde evidentiecriterium is daarmee niet voldaan. De last onder dwangsom heeft dus rechtsgeldigheid.
Dit betoog van eiser slaagt dus niet.
Is de dwangsom verbeurd?
De door verweerder omschreven omstandigheden (het tijdstip, de criminele antecedenten en de vindplaats van de schroevendraaier) dragen verder terecht in grote mate bij aan de conclusie dat eiser inbrekerswerktuigen bij zich had. De rechtbank ziet geen aanleiding om die omstandigheden buiten beschouwing te laten, zoals eiser graag ziet. Volgens vaste rechtspraak zijn deze omstandigheden namelijk wel relevant. [9]
Na afloop van de zitting heeft verweerder een e-mailbericht van Post.nl overgelegd waaruit blijkt dat de aangetekende brief van 31 oktober 2018 aan eiser is uitgereikt. Het bijgevoegde bewijs met zendingsgegevens is voorzien van de handtekening van eiser.
In het BW wordt uitgelegd dat sprake is van stuitende werking als een tot een persoon gerichte verklaring die persoon heeft bereikt. [12] Omdat de aanmaning eiser heeft bereikt, heeft deze dus stuitende werking. Dat verweerder zich later heeft gewend tot de bewindvoerder in plaats van tot eiser, maakt de aanmaning aan eiser niet ongeldig, zoals eiser betoogt in zijn reactie van 12 november 2019. Eiser mocht er, gelet op de aanmaning van 31 oktober 2018, niet op vertrouwen dat verweerder zijn recht op invordering niet te gelde zou maken en van verjaring is dus geen sprake.
Uit een door verweerder bij brief van 30 september 2019 overgelegde systeemuitdraai blijkt echter dat verweerder er al op 22 augustus 2018 van op de hoogte was dat eiser begeleid woonde en dat hij een verstandelijke beperking heeft. Ook was eiser bezig om aangemeld te worden voor schuldhulpverlening en is melding gemaakt van het feit dat hij onder bewind staat. Verweerder was er dus ruim voor het nemen van het bestreden besluit 1 mee bekend dat er persoonlijke omstandigheden zijn die relevant zijn voor de vraag of invorderen van de dwangsom in dit geval redelijk is. Ten onrechte heeft verweerder echter niet onderzocht of hij in dit geval (gedeeltelijk of geheel) zou moeten afzien van invordering van de verbeurde dwangsom.
Daarbij is verder van belang dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat andere gemeenten voor deze overtreding een last onder dwangsom opleggen van € 2.500,- per overtreding (met een maximum van € 10.000,- als de overtreder in herhaling blijft vallen). Ter illustratie wijst de rechtbank naar de eerder aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 25 september 2019, en naar de uitspraken van de ABRvS van 6 april 2016 en 20 november 2019. [13] De hoogte van de dwangsom en het maximaal te verbeuren bedrag kan echter per geval of per gemeente verschillen. Kennelijk heeft de burgemeester bij het opleggen van de last onder dwangsom gemeend dat er reden bestond om de dwangsom in dit specifieke geval te verdubbelen ten opzichte van wat doorgaans door gemeenten als dwangsom wordt opgelegd. De reden waarom, is in het dwangsombesluit niet toegelicht. Weliswaar staat de hoogte van de verbeurde dwangsom in rechte vast, omdat het besluit van 1 juni 2017 formele rechtskracht heeft, maar dat neemt niet weg dat verweerder wel moet toelichten waarom het invorderen van zo’n hoge dwangsom in dit geval, gelet op alle omstandigheden, gerechtvaardigd is in verhouding tot het doel van het verbod in de APV. Ook dat heeft verweerder niet gedaan. Het betoog van eiser slaagt.
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 1;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van tot een bedrag van € 1.312,50.