Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking d.d. 10 oktober 2017
[appellant],
ING Bank N.V.,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
a. [appellant] en ING hebben sinds 1997 meerdere kredietovereenkomsten gesloten. Bij kredietovereenkomst van 29 mei 2006 hebben zij de bestaande kredietfaciliteiten gewijzigd en is een nieuw krediet verstrekt. Bij kredietovereenkomst van 10 november 2011 is de kredietfaciliteit uitgebreid. Tot zekerheid van “
al hetgeen de kredietnemer aan de kredietgever (…) schuldig is of wordt” is onder meer op verscheidene panden van [appellant] een hypotheek gevestigd. Eén van deze panden is het pand aan de [adres 1] (hierna: het pand).
b. [appellant] heeft achterstand in de betaling laten ontstaan als gevolg waarvan de kredietfaciliteiten per januari 2013 zijn geëindigd. ING heeft dit bij brief van 18 januari 2013 bevestigd en [appellant] in de gelegenheid gesteld om voor 1 mei 2013 zelfstandig het krediet af te lossen.
c. Bij brief van 19 maart 2015 aan ING heeft de raadsman van [appellant] uitgelegd wat de redenen waren van deze achterstand en verzocht om een executieverkoop op te schorten tot 1 januari 2016.
d. Bij brief van 20 januari 2017 heeft ING laten weten dat opdracht is gegeven om een openbare executoriale verkoop van het pand te starten.
e. Bij e-mail van 25 januari 2017 heeft de advocaat van [appellant] aan ING meegedeeld dat [appellant] door deze opdracht volledig verrast is en ING dringend verzocht de executieverkoop op te schorten.
f. Vervolgens ontwikkelt zich op 25 januari 2017 een correspondentie tussen ING en de advocaat van [appellant] waarin de advocaat van [appellant] stelt dat de schuld in één keer kan worden afgelost na verkoop van het Best Western City Hotel.
g. Bij e-mail van 9 februari 2017 meldt ING dat de datum voor de veiling van het pand is vastgesteld op 12 april 2017.
h. Bij e-mail van 21 maart 2017 laat ING weten dat de wens om een persoonlijk gesprek te voeren kan worden ingewilligd als een aantal bescheiden wordt overgelegd.
i. Bij e-mail van 4 april 2017 bericht ING dat de door haar ontvangen informatie onvolledig is, dat een onderhandse bieding voor het pand van € 125.011 is geaccepteerd en dat die dag een verzoekschrift aan de rechtbank is gezonden ter acceptatie van de bieding.
j. Nadat de advocaat van [appellant] bij e-mail van 5 april 2017 de advocaat van ING had verzocht om de rechtbankgegevens van deze zaak en een scan van het verzoekschrift, heeft ING op diezelfde dag aan de advocaat per e-mail een afschrift van het verzoekschrift en de bijbehorende producties toegezonden. In die e-mail heeft de advocaat van ING geschreven dat het verzoekschrift rechtstreeks door de rechtbank aan [appellant] zou worden toegestuurd en dat er daarom op dat moment geen reden was om actie te ondernemen.
k. De griffier van de rechtbank Den Haag heeft bij brief van 5 april 2017, verzonden als gewone post, [appellant] een kopie van een verzoekschrift van ING toegezonden waarbij aan de voorzieningenrechter in de rechtbank wordt verzocht de eveneens in kopie bijgevoegde koopovereenkomst goed te keuren. Deze brief houdt verder onder meer in:
“
Indien u, als belanghebbende, bezwaar heeft tegen dit verzoek, verzoek ik u mij datuiterlijk 1 week na dagtekening van deze brief,schriftelijk, gemotiveerd en onder vermelding van bovenstaand kenmerk/rekestnummer, kenbaar te maken, te richten aan:… (volgt het adres van de griffie van de rechtbank).Alleen als er bezwaar wordt gemaakt zal een mondelinge behandeling volgen. Zo niet, wordt enkel aan de hand van de stukken beslist.”
l. [appellant] heeft geen bezwaar bij de rechtbank ingediend.
m. Op 13 april 2017 is er een bespreking tussen partijen, ieder vertegenwoordigd door hun advocaat.
n. Bij e-mail van 24 april 2017 doet [appellant] aan ING een voorstel om de hypothecaire schuld af te lossen.
o. Bij e-mail van 26 april 2017 laat de advocaat van ING weten dat ING het voorstel in overweging neemt.
p. Op dezelfde dag geeft de rechtbank een beschikking op het verzoek tot goedkeuring van de onderhandse verkoop. De verkoop aan [belanghebbende] is daarin goedgekeurd.
q. Op 13 juli 2017 heeft [appellant] het Best Western City Hotel verkocht en vervolgens op 17 juli 2017 de schuld aan ING volledig afgelost.
(i) de voorzieningenrechter heeft ten onrechte niet de artikelen 271 juncto 272 en 279 Rv toegepast, en
(ii) hij heeft de beschikking gegeven met verzuim van essentiële vormen, in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor.