Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 februari 2017
[appellante] ,
Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
[appellante] , destijds werkzaam als Algemeen Directeur c.q. Voorzitter van het Bestuur van het COA, is op 27 september 2011 op non-actief gesteld. Bij arrest van 10 januari 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BV0438) heeft het Hof Den Haag de vordering van [appellante] in kort geding tot opheffing van haar non-actiefstelling toegewezen, met dien verstande dat het [appellante] werd toegestaan haar werk bij het COA per 1 maart 2012 te hervatten onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat het COA in gebreke zou blijven aan deze veroordeling te voldoen. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat [appellante] tot 1 april 2012 zou afzien van haar aanspraak op werkhervatting en dwangsommen, in afwachting van het rapport van de Commissie van onderzoek orgaan opvang asielzoekers (hierna: Onderzoekscommissie COA, ook wel genaamd: Commissie Scheltema). Op 29 maart 2012 heeft het COA [appellante] met ingang van 1 april 2012 opnieuw voor de duur van twee weken op non-actief gesteld, welke non-actiefstelling op 13 april 2012 met twee weken is verlengd. Deze nieuwe non-actiefstelling was gegrond op het rapport van Bezemer & Kuiper, het rapport Hoffmann en het argument dat terugkeer van [appellante] vooruitlopend op het rapport van de Onderzoekscommissie COA tot onaanvaardbare onrust onder de medewerkers zou leiden. De Onderzoekscommissie COA heeft op 17 april 2012 haar definitieve rapport uitgebracht.
Op 20 april 2012 heeft het COA het dienstverband met [appellante] opgezegd met ingang van 23 april 2012, met doorbetaling van haar salaris tot de reguliere ontslagdatum 1 augustus 2012. Het COA heeft hiervoor een aantal ontslaggronden aangevoerd, waaronder het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister, de Raad van Toezicht en de pers over haar gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden, en het verhullen van dit privégebruik, waarbij zij ook ondergeschikten zou hebben betrokken.
heeft vervolgens jegens het COA schriftelijk aanspraak gemaakt op betaling van € 225.000,- respectievelijk € 325.000,- ter zake van dwangsommen die het COA volgens [appellante] krachtens het arrest van het hof Den Haag van 10 januari 2012 zou hebben verbeurd. Het COA heeft hierop [appellante] gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat het COA, gelet op de nieuwe op non-actiefstelling per 1 april 2012, geen dwangsommen heeft verbeurd (de dwangsommenprocedure). [appellante] heeft van haar kant het COA gedagvaard op grond van kennelijk onredelijk ontslag (de KOO-procedure).
De rechtbank heeft, na bewijslevering, in beide zaken bewezen geoordeeld dat [appellante] onjuiste informatie heeft verstrekt aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister en de Raad van Toezicht over haar gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden, en dat zij dit privégebruik heeft verhuld, waarbij zij ook ondergeschikten heeft betrokken.
Deze informatie, waarmee het COA pas na het arrest van het hof Den Haag van 10 januari 2012 bekend is geworden, rechtvaardigde naar het oordeel van de rechtbank zowel de nieuwe op non-actiefstelling per 1 april 2012 als het daarop volgende ontslag van [appellante] . Op grond hiervan heeft de rechtbank [appellante] in de beide procedures in het ongelijk gesteld. [appellante] is hiervan in beide zaken in hoger beroep gekomen.
Wat betreft grief I.I overweegt het hof verder als volgt. In de notulen van het bestuurlijk overleg van 6 april 2010 is het volgende vermeld:
“ Een punt van aandacht is de salariëring van de directie en de Balkenende-norm. Voor het betreffende directielid geldt dat de huidige salariëring valt binnen de nu geldende rechtspositie. De RvT zal hierover wel het gesprek aangaan. Het salaris wordt bevroren en tijdelijke vergoedingen worden gestopt. De andere leden van de directie bevinden zich onder de grens van de norm.”Het hof overweegt dat uit deze passage, zoals [appellante] zelf ook vermeldt in punt 13 van haar memorie van grieven, blijkt dat tijdens het bestuurlijk overleg door de Minister aandacht is gevraagd voor het salaris van [appellante] , zulks naar aanleiding van inpassing van dat salaris in de Balkenendenorm. Vast staat dat in de periode daarna vervolgens met het departement overleg geweest over de inpassing van het salaris van [appellante] , behorende bij de benoemingsvoordracht tot bestuursvoorzitter. Zoals [appellante] heeft erkend (mvg nr 95) werd gesproken over de wijze waarop haar salaris naar de Balkenendenorm kon worden teruggebracht. Het hof gaat bij zijn verdere beoordeling hiervan uit, en past de feitenvaststelling in zoverre aan. Daarmee is deze klacht voldoende besproken.
Grief I.II klaagt er over dat de rechtbank in haar eindvonnis in de dwangsommenprocedure ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [appellante] tegenover leden van de Raad van Toezicht, in strijd met de waarheid, heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte (r.o. 2.11). [appellante] wijst er op dat zij als directeur van het COA de beschikking had over een dienstauto, die zij zowel zakelijk als privé mocht gebruiken. Ter compensatie van de fiscale bijtelling in verband met het privé gebruik van de dienstauto kreeg zij een bijdrage van het COA (hierna: de Compensatieregeling). In het kader van het overleg met het ministerie over haar salaris als onderdeel van haar benoeming als bestuursvoorzitter, heeft [appellante] zelf voorgesteld om haar salaris terug te brengen door de Compensatieregeling af te schaffen en vanaf september 2011 privé geen gebruik meer te maken van de dienstauto. Dit was anders dan vóór die tijd, waarin zij dat zo nu en dan wel deed. [appellante] ontkent dat zij hierover ooit anders heeft verklaard, en betwist de verklaringen die verschillende getuigen hierover tegenover de rechtbank hebben afgelegd. Het COA wist dat [appellante] de dienstauto privé mocht gebruiken en dat – sporadisch – tot september 2011 ook deed, dit behoorde tot haar arbeidsvoorwaarden.
Grief I.III sluit aan bij grief I.II en klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [appellante] tegenover (medewerkers van) de Minister alsmede leden van de Raad van Toezicht, in strijd met de waarheid, heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte (r.o. 2.12). [appellante] betwist de betreffende getuigenverklaringen op dit punt.
Grief I.IV klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [appellante] heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte, en dat [appellante] hierbij ondergeschikten heeft betrokken (r.o. 2.7 en r.o. 2.23). [appellante] betwist met name de verklaringen die haar voormalig secretaresse [voormalig secretaresse] en chauffeur [chauffeur] hierover hebben afgelegd.
In de KOO-procedure voorts
Grief XI richt zich tegen dezelfde rechtsoverwegingen, en betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat indien komt vast te staan dat [appellante] in haar handelen ‘op dit punt’ tekort is geschoten, dit van zwaarwegende betekenis zal zijn ten aanzien van de beoordeling of in deze sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en of er grond bestaat voor toekenning van een contractuele beëindigingsvergoeding. De kantonrechter geeft er ten onrechte geen, althans onvoldoende, blijk van te hebben meegewogen dat, ook al zou komen vast te staan dat [appellante] in haar handelen qua integriteit tekort zou zijn geschoten, eveneens betekenis dient toe te komen aan de gerechtvaardigde belangen van [appellante] en de gevolgen die de opzegging voor haar heeft, mede in aanmerking genomen de voor [appellante] getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden. Bovendien gaat de kantonrechter er aan voorbij dat nog altijd sprake kan zijn van een valse of voorgewende reden, op grond waarvan het ontslag kennelijk onredelijk kan zijn. Tot slot loopt de kantonrechter met zijn oordeel over de contractuele beëindigingsvergoeding vooruit op de uitleg van de betekenis van het overeengekomen criterium “ernstige verwijtbaarheid”, terwijl dit debat tussen partijen nog niet was gevoerd.
Ook deze grief faalt. Met de zinsnede “ [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de compensatie voor de fiscale bijtelling kon vervallen omdat zij de dienstauto toch niet voor privédoeleinden gebruikte” laat de kantonrechter in het midden of, zoals [appellante] heeft gesteld, zij gezegd zou hebben dat de compensatie kon vervallen omdat zij de dienstauto vanaf september 2011 toch niet privé gebruikte, dan wel, zoals het COA heeft gesteld, zij de woorden “vanaf september 2011” niet heeft gebruikt en haar mededeling dat zij de auto toch niet privé gebruikte ook sloeg op de periode daarvoor. Van een procedurele of inhoudelijke onjuistheid van deze zinsnede is naar het oordeel van het hof geen sprake.
Grief XIII klaagt er over dat de kantonrechter in zijn eindvonnis in de KOO-procedure (r.o. 2.38) ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [appellante] in strijd met de waarheid tegenover leden van de Raad van Toezicht, (medewerkers van) de Minister en leden van de Onderzoekscommissie COA, heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte.
Grief XIV klaagt er over dat de kantonrechter tevens ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [appellante] heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte, en dat [appellante] hierbij ondergeschikten heeft betrokken.
voert gemotiveerd aan dat en waarom deze bewijswaarderingen van de kantonrechter onjuist zouden zijn, waarbij zij tevens verwijst naar hetgeen zij hierover heeft opgemerkt bij haar grieven I.II tot en met I.IV in de dwangsommenprocedure.
Grief XVI klaagt er over dat de kantonrechter in r.o. 2.40 van zijn eindvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Betoogd wordt dat uit de aangevoerde grieven volgt dat sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van voorgewende of valse redenen, en subsidiair dat de opzegging kennelijk onredelijk is gelet op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW Pro(oud).
Grief XVII richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 2.42 van zijn eindvonnis dat er geen grond bestaat voor toekenning van een contractuele vergoeding, omdat sprake is van ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer.
Grief XVIII richt zich tegen de afwijzing door de kantonrechter in r.o. 2.44 van zijn eindvonnis van de door [appellante] gevorderde immateriële schadevergoeding.
Beslissing
- bepaalt dat het COA binnen vier weken na de datum van dit arrest aan [appellante] en aan het hof een lijstje zal verstrekken van alle personen, met vermelding van naam, functie en lees- en/of wijzigingsbevoegdheid, die op zondag 18 december 2011 en zaterdag 21 januari 2012 gemachtigd althans in staat waren om de agenda van [appellante] in te zien;
- laat [appellante] toe tot het leveren van nader tegenbewijs ten aanzien van de volgende punten:
- bepaalt dat, indien [appellante] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden – met inachtneming van hetgeen is overwogen in r.o. 7 en 22 van dit arrest – in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden april tot en met september van 2017, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.