Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 14 maart 2017
Stichting Het Rijnlands Lyceum,
[naam],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Als docente Nederlands in dienst van de Stichting Het Rijnlands Lyceum (…) bent u verplicht om uw onderwijsbevoegdheid te halen. Volgens deze gegevens is er onvoldoende bewijs aanwezig(…) dat u in het bezit bent van een geldige onderwijsbevoegdheid. Mocht u een bewijs van onderwijsbevoegdheid in uw bezit hebben, dan ontvangen wij dit graag voor 12 mei 2014 a.s. (…) Indien u voor deze datum geen bewijs heeft kunnen overleggen bent u formeel gezien nog onbevoegd en zult een verzoek ontvangen van de schoolleiding om nader in gesprek gaan over aanvullende opleiding. Indien u uiteindelijk uw onderwijsbevoegdheid niet behaalt, is het bestuur gerechtvaardigd om de bestaande
“Ik ben verbaasd dat ik nu plotseling dit jaar een vraag krijg over een Pedagogische Aantekening van tientallen jaren terug. Qua kennis en jarenlange leservaring zit ik ver boven dit niveau. Het zou verspilde tijd en geld zijn om alsnog te verlangen dat ik dit papiertje zou moeten gaan halen. Als het echter een eis is van het Ministerie van Onderwijs dan hoop ik dat het Rijnlands naar voren zal brengen dat er in mijn geval zoveel leservaring en kennis aanwezig is dat een officiële Ontheffing op zijn plaats is. Veder denk ik dat een docent van mijn leeftijd geen onnodige werkdrukverhoging moet worden opgelegd, daar ik over zes jaar met pensioen ga. Mocht het Ministerie van Onderwijs dit toch verplicht stellen, dan heb ik geen keus en zal ik het papiertje met terugwerkende kracht gaan halen, al is alle kennis natuurlijk allang aanwezig (…)”.
“Ik zal aanstaande dinsdag de mogelijkheden tot vergoeding met [naam] bespreken. Anders dan bij de lerarenbeurs is er met deze opleiding tot eerstegraads docent geen vrijstelling gemoeid. Indien je 0,2 fte tijd zou willen vrij maken, kan dat alleen in de vorm van deeltijdontslag. Het spijt me dat ik je niet anders kan berichten”.
ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd” (Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 43-46). Bij de beoordeling van de vraag of een verstoorde arbeidsrelatie dient te leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex art. 7:669 lid 3 sub g BW Pro, is van belang of de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Niet relevant is aan wie die verstoring is toe te schrijven, tenzij kan worden geoordeeld dat (mede) vanwege de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever, in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. In de Beleidsregels UWV over de verstoorde arbeidsverhouding – waaraan deze ontslaggrond zoals gezegd is ontleend – is geen aanwijzing te vinden dat het verzoek om toestemming tot ontslag zou moeten worden geweigerd indien de verstoring (grotendeels) aan de werkgever te wijten is. Integendeel. In onderdeel 8 van hoofdstuk 27 van de Beleidsregels UWV wordt met zoveel woorden opgemerkt dat de
schuldvraagbij de ontslaggrond verstoorde arbeidsrelatie geen toetsingscriterium is, omdat deze geen element vormt blijkens het Ontslagbesluit. Is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en is deze verstoring geheel of grotendeels aan de werkgever te wijten, dan zou zich dat kunnen vertalen in het toekennen aan de werknemer van een billijke vergoeding.
“Bij onverhoopt onvermogen om aan deze werknemersverantwoordelijkheid te voldoen, zal ik disfunctioneren formeel aan de orde moeten stellen”.[verweerster] heeft zich vervolgens tegen de door [de rector] gemaakte verwijten verweerd in haar brieven van 5 en 11 november 2015, waarbij met name de laatste brief zeer scherp van toonzetting was. In laatstgenoemde brief benoemt zij verwijten als ‘frauderen met de cijferlijst’, het ‘met frauduleuze handelingen laten overgaan van een leerling’ en het ‘intimideren van leraren’ en ‘het creëren van een onveilig werkklimaat’.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de arbeidsovereenkomst van partijen zal eindigen op 1 april 2017;
- ontzegt [verweerster] het recht op een billijke vergoeding;
- veroordeelt SRL aan [verweerster] een transitievergoeding te voldoen van € 7.481,- bruto, onder de voorwaarde dat onherroepelijk vast staat dat [verweerster] geen recht heeft op een Wovo-uitkering;
- veroordeelt SRL tot betaling aan [verweerster] van een bedrag groot € 154,39 ter zake van boekengeld alsmede een bedrag groot € 70,- ter zake van kerstgratificatie;
- veroordeelt SRL tot betaling aan [verweerster] van een bedrag groot € 283,98 per maand in verband met de inhoudingen op het verschuldigde loon uit hoofde van de BAPO-regeling, en wel vanaf 1 september 2016 tot 1 april 2017, vermeerderd met de wettelijke rente over de inhoudingen, telkens vanaf de datum van opeisbaarheid van de inhouding/het loon;
- compenseert de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.
- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;