Appellant trad in 2010 in dienst bij Vrije Academia met een arbeidsovereenkomst voor één jaar, die eenmaal werd verlengd. Na 1 februari 2012 verrichtte hij nog beperkt werkzaamheden. Er ontstond een geschil over de vraag of de arbeidsovereenkomst stilzwijgend was verlengd na 1 februari 2012 en over achterstallig loon.
De kantonrechter oordeelde dat geen stilzwijgende verlenging had plaatsgevonden vanwege een drastische wijziging in arbeidsomvang, maar kende wel betaling van achterstallig loon toe over de periode vóór 2012. Appellant startte hoger beroep tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis.
Het hof constateert dat appellant in het eerdere hoger beroep tegen het tussenvonnis geen grieven heeft gericht tegen de bindende eindbeslissing dat geen stilzwijgende verlenging heeft plaatsgevonden. Hierdoor is hij niet-ontvankelijk in het huidige hoger beroep dat feitelijk tegen die bindende beslissing is gericht.
Appellant heeft ook geen zelfstandige grieven tegen het eindvonnis aangevoerd. Daarom verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen beide vonnissen en veroordeelt hem in de kosten van het geding, met uitvoerbaarheid bij voorraad.