ECLI:NL:GHDHA:2018:1619
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdelijke aansprakelijkheid advocaat voor griffierecht bij dwangbevel
Een advocaat kwam in verzet tegen een dwangbevel voor het niet betalen van griffierecht in een hoger beroepsprocedure. Hij stelde dat het dwangbevel eerst aan zijn cliënt, de primaire schuldenaar, had moeten worden gedaan en dat de medeaansprakelijkheid van de advocaat niet gelijkstaat aan hoofdelijke aansprakelijkheid. Ook voerde hij overmacht aan omdat hij geen contact meer had met zijn cliënt en daardoor het hoger beroep niet kon intrekken.
De griffier voerde gemotiveerd verweer dat het dwangbevel terecht was uitgevaardigd. Het hof overwoog dat op grond van artikel 28 Wgbz Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2002:AE2509) de advocaat en zijn cliënt hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het griffierecht. De griffier hoeft niet eerst de primaire schuldenaar aan te spreken voordat hij de advocaat aanspreekt.
Het ontbreken van een verwijzing naar artikel 28 Wgbz Pro in het dwangbevel doet niets af aan de verschuldigdheid. Ook het ontbreken van contact met de cliënt en het niet kunnen intrekken van het hoger beroep vormen geen overmacht. Het hof verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van de advocaat.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is ongegrond verklaard en de advocaat is hoofdelijk aansprakelijk voor het griffierecht.