Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 10 juli 2018
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De kantonrechter heeft het verzoek van Antes toegewezen, en de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2017 onder toekenning aan [verzoeker] van een transitievergoeding van € 7.168,32 bruto. Het verzoek van [verzoeker] om een billijke vergoeding is afgewezen. [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gekomen. [verzoeker] verzoekt het hof – kort samengevat – om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen, en (primair) Antes te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst met een voorziening omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst, althans (subsidiair) aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen.
- de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat een vruchtbare samenwerking tussen [verzoeker] en [X], ondanks dat tussen hen verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden om de tussen hen gerezen conflicten te slechten en ondanks dat in dit kader afspraken zijn gemaakt, niet meer tot de mogelijkheden behoort. [verzoeker] is arbeidsongeschikt geworden omdat hij met [X] in één gebouw diende te werken, in welke situatie, ondanks waarschuwing van de bedrijfsarts, Antes geen verandering heeft gebracht. [verzoeker] voert aan dat als hij zijn werk zou kunnen hervatten op een andere locatie om tot zichzelf te komen, daarna een terugkeer naar zijn werk op de kliniek en een vruchtbare samenwerking met [X] wellicht weer tot de mogelijkheden behoort;
- de kantonrechter heeft voorts ten onrechte overwogen dat [verzoeker] niet heeft betwist dat mevrouw [Y], zijn inhoudelijk leidinggevende, haar zorgen had geuit over het functioneren van [verzoeker], en dat [verzoeker] toen boos is geworden, het gesprek heeft beëindigd en de kliniek heeft verlaten. Voorts is volgens de kantonrechter door hem niet betwist dat hij in daaropvolgende gesprekken slechts is blijven volharden in zijn standpunt dat hij zich niet kan vinden in de door zijn leidinggevende geuite zorgen. [verzoeker] voert in de toelichting op de grief aan dat het juist is dat hij boos is weggelopen uit het gesprek met mevrouw [Y] rond eind maart 2016, maar dat de reden hiervan was dat hij op dat moment gespannen was omdat hij al een maand had gewerkt in hetzelfde gebouw als [X], die hem bovendien ongefundeerd had beschuldigd van fraude, en dat in het bewuste gesprek door [Y] in plaats van de afgesproken evaluatie plotseling het door [verzoeker] terugbetalen van de opleidingskosten aan de orde werd gesteld;
- de kantonrechter heeft bovendien ten onrechte overwogen dat [verzoeker] niet heeft betwist dat tussen partijen verschil van inzicht heeft bestaan over de mate waarin [verzoeker], als algemeen arts, betrokken diende te worden bij de bepaling van het behandelingsbeleid van patiënten. [verzoeker] wilde meer invloed op dat punt, maar heeft niet betwist dat volgens het beleid van Antes de uiteindelijke beslissing met betrekking tot het behandelingsbeleid is voorbehouden aan de behandelende hoofdarts, in casu mevrouw [X]. [verzoeker] voert in de toelichting op de grief aan dat deze kwestie niets te maken had met [X], maar met zijn standpunt dat hij als arts de medicatie diende te bepalen en niet (in voorkomende gevallen) een psycholoog;
- tot slot merkt [verzoeker] op dat Antes in december 2016 het derde reeds geplande mediationgesprek heeft afgezegd zonder een nieuwe afspraak te maken, dit terwijl de zaakwaarnemer van [verzoeker] nog had benadrukt hoe belangrijk [verzoeker] de mediation vond om de problemen op te lossen.
“Cliënt beschouwt mediation als hét vehikel om de gerezen problemen tussen partijen te bespreken, te verminderen en zo mogelijk te elimineren.”Het hof concludeert uit het bovenstaande dat Antes weliswaar niet is ingegaan op de (herhaalde) verzoeken van [verzoeker] om hem over te plaatsen naar een andere locatie, maar dat zij wel – in samenspraak met [verzoeker] – serieus heeft gezocht naar andere wegen om de problemen op te lossen. Nadien is er een situatie ontstaan ten aanzien waarvan het hof heeft geoordeeld dat herplaatsing niet meer in de rede lag (zie hiervoor rov. 8). Ook als het hof ervan uitgaat dat Antes een verwijt kan worden gemaakt dat zij niet is ingegaan op het (herhaalde) verzoek van [verzoeker] om te worden herplaatst/overgeplaatst naar een andere locatie, dan nog is het hof van oordeel dat, in het licht van hetgeen Antes wel heeft gedaan om te komen tot een oplossing, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Antes op dit punt. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] is dan ook geen plaats. De grieven worden verworpen.
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 20 juli 2017;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Antes tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 2.148,- (2 punten tarief II) aan salaris advocaat.