Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 maart 2018 in het incident ex art. 843a Rv in de zaak van
[naam onderneming] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam],
1. [naam],
2. [naam],
3. [naam],
4. [naam],
5. [naam],
6. [naam],
7. [naam],
8. [naam],
Het verdere verloop van het geding
Beoordeling van het incident
- dat [geïntimeerde 1] als bestuurder van SWEM namens SWEM een verplichting met [appellante] is aangegaan, waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat SWEM deze verplichting niet zou kunnen nakomen en tevens wist of behoorde te begrijpen dat [appellante] als gevolg daarvan schade zou lijden, dat achteraf gezien van meet af aan sprake was van een verliesgevende exploitatie zonder deugdelijke begroting en zonder financiële dekking, dat [geïntimeerde 1] desondanks de exploitatie is gestart en heeft voortgezet en dat [geïntimeerde 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt;
- dat de leden van de RvT (de onder 2 tot en met 8 genoemde geïntimeerden en gedaagden in het incident) hun toezichthoudende taak onbehoorlijk hebben vervuld, waarvan hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, dat zij de voorbereiding en voortgang van het project niet nauwlettend hebben gevolgd, geen vragen hebben gesteld, geen informatie van deskundige derden hebben ingewonnen en geen sturing hebben gegeven aan het handelen van [geïntimeerde 1], dat zij aan [geïntimeerde 1] niet de voorwaarde hebben gesteld dat pas na het sluiten van de daadwerkelijke sponsorovereenkomsten de inkomsten daaruit als inkomsten in de begroting mochten worden aangemerkt.
- dat op het moment dat [geïntimeerde 1] als bestuurder van SWEM verbintenissen met [appellante] aanging, er nog geen zekerheid bestond over de vraag of SWEM daadwerkelijk de financiële middelen zou kunnen verwerven die benodigd waren om haar verplichtingen jegens onder andere [appellante] volledig na te komen, en dat dit ook bekend was bij [appellante];
- dat in het bijzonder onzekerheid bestond over de op de begroting van SWEM opgenomen sponsorgelden;
- dat [geïntimeerde 1] zou kunnen worden verweten dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het realiteitsgehalte van de diverse op de begroting vermelde posten, onvoldoende controle heeft uitgeoefend op de door NCH aan hem verstrekte informatie en onvoldoende heeft toegezien op het deugdelijk vastleggen van met sponsoren gemaakte (mondelinge) afspraken, en dat in het verlengde daarvan [geïntimeerde 1] zou kunnen worden verweten dat hij gedurende de loop van het project aan [appellante] en aan de RvT informatie heeft verschaft (begrotingen en toelichtingen daarop) die achteraf niet juist is gebleken;
- dat een en ander echter niet meebrengt dat de conclusie gerechtvaardigd is dat [geïntimeerde 1] bij het aangaan van verbintenissen namens SWEM met [appellante] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat SWEM niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en dat [appellante] als gevolg van zijn handelen schade zou lijden;
- dat [geïntimeerde 1] zich naar beste kunnen heeft ingezet om het daarheen te leiden dat een relatief complex project onder grote tijdsdruk tot stand werd gebracht;
- dat [geïntimeerde 1] een veelheid aan taken diende te verrichten binnen een recent opgerichte, zeer kleine organisatie;
- dat [geïntimeerde 1] in die context – achteraf bezien – onvoldoende kritisch is geweest op, en onvoldoende controle heeft uitgeoefend op, de van de zijde van NCH aan hem verstrekte informatie met betrekking tot de fondsenwerving niet meebrengt dat geconcludeerd kan worden dat hem persoonlijk een ernstig verwijt in de hier relevante zin kan worden gemaakt;
- dat (bovendien) ten tijde van het aangaan van verbintenissen met [appellante] niet objectief voorzienbaar was dat [appellante] schade zou lijden indien uiteindelijk zou blijken dat de begroting niet volledig sluitend kon worden gemaakt, nu steeds een reële kans bestond dat de overheid bereid zou zijn om bij te springen teneinde alsnog te voorkomen dat contractuele wederpartijen van SWEM daardoor financieel nadeel zouden lijden;
- dat ten aanzien van de leden van de RvT [appellante] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat een of meer van die leden ter zake van de benadeling van [appellante] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt;
- dat waar [geïntimeerde 1] zich ten aanzien van de te verwachten sponsorinkomsten op het verkeerde been heeft laten zetten en te optimistisch is geweest en vastlegging van mondelinge afspraken met sponsoren niet correct heeft plaatsgevonden, achteraf kan worden geconcludeerd dat het wenselijk was geweest als de RvT op dat punt van aanvang af scherper toezicht had gehouden;
- dat daar echter tegenover staat dat voor de RvT destijds niet zonder meer kenbaar was dat deze situatie zich voordeed;
- dat de omstandigheid dat de RvT er gedurende geruime tijd van is uitgegaan dat de gepresenteerde begrotingen een betrouwbaar beeld verschaften en dat geen eigen (nader) onderzoek diende te worden verricht naar aanleiding van de antwoorden die werden verstrekt op de door de RvT aan de bestuurder gestelde vragen, niet de conclusie rechtvaardigt dat de leden van de RvT hun toezichthoudende taak persoonlijk ernstig verwijtbaar onbehoorlijk hebben vervuld;
- dat de RvT adequaat heeft gehandeld en de nodige maatregelen heeft genomen nadat het vermoeden was gerezen dat de onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] opgestelde begrotingen een onjuist beeld gaven.