ECLI:NL:GHDHA:2018:2730
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging
In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die het verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige voor twaalf maanden had afgewezen. De vader en de Raad voor de Kinderbescherming waren het niet eens met deze afwijzing en kwamen in hoger beroep. De moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, verzocht de bestreden beschikking in stand te laten.
Het hof oordeelde dat het Nederlandse gerecht bevoegd was op grond van de Brussel II bis-verordening, ondanks dat de moeder en de minderjarige inmiddels in het buitenland verbleven. De vader, hoewel zonder gezag, werd ontvankelijk verklaard in hoger beroep vanwege zijn status als belanghebbende in eerste aanleg en de samenhang met het beroep van de raad.
De inhoudelijke beoordeling toonde aan dat de minderjarige ernstige gedragsproblemen vertoont en dat de verstoorde relatie tussen de ouders de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigt. De moeder had met de minderjarige het land verlaten en de schoolgang en hulpverlening abrupt gestaakt, wat het hof zeer zorgelijk achtte. Het hof vernietigde daarom de bestreden beschikking en stelde de ondertoezichtstelling alsnog voor de duur van twaalf maanden in, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof vernietigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe voor twaalf maanden.