PMT c.s., bestaande uit het bedrijfstakpensioenfonds Metaal en Techniek en enkele bedrijfstak-cao-fondsen, voert een procedure tegen ACS over de vraag of de Mt-regelingen op ACS van toepassing zijn. De kantonrechter wees in eerste aanleg de vorderingen van PMT c.s. af. In hoger beroep verzochten PMT c.s. een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen over de werkzaamheden van ACS-werknemers en zo hun proceskansen beter in te schatten.
ACS verzette zich tegen dit verzoek met argumenten als gebrek aan belang, misbruik van recht en strijd met goede procesorde, maar liet het verweer inzake volmacht vallen nadat PMT deze had overgelegd. Het hof oordeelde dat een voorlopig getuigenverhoor passend is om feiten op te helderen en dat PMT c.s. voldoende heeft aangegeven welke feiten en stellingen zij wil bewijzen.
Het hof verwierp de bezwaren van ACS, waaronder dat de feiten al door de kantonrechter waren vastgesteld en dat het verzoek zou leiden tot onnodige vertraging. Het hof stelde dat in hoger beroep feiten opnieuw kunnen worden vastgesteld en dat het voorlopig getuigenverhoor vooral dient om de procespositie van PMT c.s. te verduidelijken. Het aantal te horen getuigen werd beperkt tot vijf. ACS werd veroordeeld in de kosten van het verzoek.