ECLI:NL:GHDHA:2018:3710

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
10 januari 2019
Zaaknummer
200.246.678-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 WgbzArt. 3 lid 5 WgbzArt. 10 lid 1 WgbzArt. 29 lid 1 Wgbz
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen vaststelling griffierecht in hoger beroep ongegrond verklaard

De advocaat van appellante kwam in verzet tegen de vaststelling van het griffierecht in hoger beroep, stellende dat het griffierecht ten onrechte was gebaseerd op een financieel belang van meer dan €100.000,-. Hoewel in eerste aanleg een billijke vergoeding van €500.000,- werd verzocht, was dit bedrag in hoger beroep formeel niet opnieuw geëist vanwege mogelijke hoge griffierechten en proceskosten.

Het hof overwoog dat het griffierecht in hoger beroep moet worden bepaald aan de hand van het verzoek waarover de rechter in eerste aanleg moest beslissen, ook als het verzoek in hoger beroep anders is geformuleerd. De rechtbank had te beslissen over ontbinding van de arbeidsovereenkomst, een getuigenverhoor en een verzoek tot betaling van transitievergoeding, billijke vergoeding en advocaatkosten.

De correspondentie met het Rechtspraak Servicecentrum gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hof concludeerde dat het verzet ongegrond is en bevestigde de vaststelling van het griffierecht op basis van het financiële belang van de oorspronkelijke vordering.

Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.246.678/01

Beschikking van 18 december 2018

inzake

mr. M.C.V. Dornstedt,

advocaat te Hellevoetsluis,
opposant,
tegen

de griffier van het gerechtshof Den Haag,

geopposeerde,
hierna te noemen: de griffier.

Het geding

Bij brieven van 21 en 30 augustus 2018 (met bijlagen) is opposant in verzet gekomen tegen de vaststelling van het griffierecht. Het verweerschrift (met bijlagen) van de griffier, ingekomen op 9 oktober 2018, strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
Bij V-formulier van 24 oktober 2018 heeft opposant het hof verzocht het verzet op de stukken af te doen.

Beoordeling van het verzet

1. Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.
Opposant is de advocaat van [appellante] (hierna: [appellante] ) in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 17 mei 2018, gewezen tussen haar en [geïntimeerde] (hierna: [geïntimeerde] ).
De zaak is na aanbrenging ingeschreven op de rol van 16 augustus 2018 en bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.244.366/01. Het op voornoemde datum verschuldigd geworden griffierecht van € 1.649,- is door opposant voldaan, naar het hof begrijpt onder protest, aangezien hij bij brieven van 21 en 30 augustus 2018 tegen de vaststelling van het griffierecht bezwaar heeft gemaakt. Het hof zal deze brieven daarom opvatten als verzet in de zin van art. 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz).
2. De gronden voor het verzet komen erop neer dat de griffier bij de vaststelling van het griffierecht ten onrechte ervan is uitgegaan dat de zaak betrekking heeft op een verzoek met een beloop van meer dan € 100.000,-. Betoogd wordt dat in het beroepschrift weliswaar is gerefereerd aan de in eerste aanleg verzochte billijke vergoeding van € 500.000,-, maar dat de toekenning van dat bedrag in hoger beroep (formeel) niet is verzocht, mede gelet op de mogelijk verschuldigde aanzienlijke griffierechten en een (eveneens aanzienlijke) proceskostenveroordeling bij een onverhoopt verlies van de procedure. In hoger beroep is daarom aan het hof gelaten om daartoe te beslissen en een billijke vergoeding te bepalen.
3. De griffier heeft bij verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd.
4. Het hof overweegt als volgt.
4.1
Op grond van art. 3 lid 2 Wgbz Pro wordt in verzoekschriftprocedures voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift. De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz Pro bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen verzoeken van onbepaalde waarde en verzoeken met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van het verzoek en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
Het voorgaande brengt mee dat voor de berekening van het griffierecht in hoger beroep moet worden aangeknoopt bij de waarde van het verzoek waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is verzocht (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014 met betrekking tot een dagvaardingsprocedure).
4.2
Blijkens de in hoger beroep bestreden beschikking
,diende de rechtbank in de hoofdzaak te beslissen over een verzoek tot (i) ontbinding van de tussen [geïntimeerde] en [appellante] gesloten arbeidsovereenkomst, (ii) het houden van een (voorlopig) getuigenverhoor en (iii) een verzoek tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 500.000,- en een vergoeding van advocaatkosten van € 13.500,-.
Voor de vaststelling van het verschuldigde griffierecht in hoger beroep dient op grond van voormelde jurisprudentie in beginsel bij het onder (iii) genoemde verzoek te worden aangeknoopt. Weliswaar heeft opposant om de proceskosten te drukken bewust zijn verzoek in hoger beroep opnieuw geformuleerd, maar niet gebleken is dat daarmee bedoeld is het oorspronkelijke verzoek te beperken. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat geen betaling meer wordt gewenst van het bedrag dat in eerste aanleg is verzocht als billijke vergoeding en vergoeding van advocaatkosten, nu in het beroepschrift (randnummers 62 en 64) wordt verwezen naar wat daartoe in het verweerschrift is uiteengezet.
Voor de vaststelling van het verschuldigde griffierecht in hoger beroep diende de griffier dan ook uit gaan van die geldbedragen (zie ook hof Den Haag 19 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2762).
4.3
De correspondentie tussen opposant en het Rechtspraak Servicecentrum vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Het is aan het hof om bij indiening van een verzoekschrift in hoger beroep de hoogte van het te heffen griffierecht te bepalen. Bovendien heeft het Servicecentrum bij e-mail van 20 juni 2018 op de vraag van opposant over de hoogte van het griffierecht geantwoord dat de Wgbz uitgaat van het financiële belang van de vordering. Dat sluit aan bij hetgeen in 4.1. en 4.2 is overwogen. In antwoord op de vraag van opposant omtrent de kosten bij een eventuele proceskostenveroordeling, meer in het bijzonder het toepasselijke liquidatietarief, heeft het Servicecentrum met een link verwezen naar informatie over het liquidatietarief op rechtspraak.nl en is opposant voor verdere vragen verwezen naar het desbetreffende gerechtshof.
4.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van opposant ongegrond is.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Verduyn, F.R. Salomons en H.J. van Kooten, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018 in aanwezigheid van de griffier