Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 18 december 2018 (bij vervroeging)
[appellant],
Vereniging van Eigenaren [...straat] nummers […] te
Het geding
De feiten
“Artikel 1
In het reglement wordt verstaan onder:
(...)
“Artikel 2
Tot de gemeenschappelijke gedeelten worden onder meer gerekend:
1. Iedere op-, aan of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden.
(…)”
“Artikel 36
1. Alle besluiten, waarvoor in dit reglement of krachtens de wet geen afwijkende regeling is voorgeschreven, worden genomen met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.
5. Besluiten door de vergadering tot het doen van uitgaven die een in de akte nader te bepalen bedrag te boven gaan, kunnen slechts worden genomen met een meerderheid van tenminste drie/vierde van het aantal uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is, dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen. (…)
(…)
8. Het in lid 5 bepaalde geldt eveneens voor besluiten tot verbouwing of voor besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of tot het wegbreken van bestaande installaties, voorzover deze niet als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen.
De eigenaar, die van zodanige maatregel geen voordeel trekt, is niet verplicht in de kosten hiervan bij te dragen.”
(…)
5. BESLUITVORMING NAAR AANLEIDING VAN DEZE RAPPORTAGE
Het verzoek en de beslissing in eerste aanleg
De beoordeling in hoger beroep
grief 1komt [appellant] op tegen de niet-ontvankelijk verklaring. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het besluit is genomen op 27 juni 2017: het gemaakte voorbehoud is geen ontbindende, maar een opschortende voorwaarde. Voor zover het besluit wel op 27 juni 2017 zou zijn genomen, geldt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu [appellant] expliciet is meegedeeld door [X], dat de termijn om tegen het besluit op te komen pas zou ingaan na kennisname van de concept notulen waarin de uitkomst van het door haar te verrichten onderzoek zou zijn neergelegd.
Grief 2richt zich tegen de overweging ten overvloede dat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn. In dit verband wijst [appellant] er onder meer op dat hij wel degelijk uitgebreid heeft toegelicht dat het besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Ook meent hij dat hetgeen hij ten aanzien van de ongeldigheid van het besluit heeft aangevoerd niet moet worden aangemerkt als een beroep op nietigheid van het besluit in de zin van artikel 2:14 BW Pro, maar dat het valt onder artikel 2:15 BW Pro.