Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 28 augustus 2018
[naam 1] ,
STAAT DER NEDERLANDEN,
Het verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
eerstherzien. Daarbij is de erfpachtcanon berekend conform het Pachtnormenbesluit 1977 waarin is bepaald dat ingeval de externe productieomstandigheden afwijken van de gemiddelde externe productieomstandigheden een aftrek of een toeslag wordt toegepast (artikel 2 lid Pro 6). Met betrekking tot kavel [kadasternummer 2] is een aftrek gegeven van in totaal ƒ 30 wegens de excentrische ligging ten opzichte van de boerderij en de kavelvorm. Op kavel [kadasternummer 1] is een aftrek vanwege ‘gerende vorm’ gegeven van ƒ 15. De Staat heeft op basis van voornoemde berekening de canon verhoogd naar (inclusief verrekening waterschapslasten) ƒ 27.394 (afgerond € 12.431) per jaar. Hierna wordt de canon telkens vermeld met inbegrip van verrekening van de waterschapslasten.
tweedemaal herzien. Hij is toen vastgesteld op ƒ 35.129 (afgerond € 15.941).
derdeherzieningsmoment van de canon. Inmiddels was sprake van een andere berekeningssystematiek door de wijziging van het Pachtnormenbesluit in 1992. In het gewijzigde Pachtnormenbesluit werd uitgegaan van optimale externe productieomstandigheden en dus niet meer van gemiddelde productieomstandigheden met toeslag- en aftrekmogelijkheden. Als in de nieuwe systematiek een of meer externe productieomstandigheden van het optimale afweken, diende een aftrek te worden toegepast (artikel 2 lid Pro 5). De Staat heeft bij brief van 29 november 1993 voorgesteld de canon te wijzigen naar ƒ 41.432 per jaar. [de vader] is hier niet mee akkoord gegaan. Hij stelde in dat verband dat in de berekening onvoldoende rekening was gehouden met de vorm van zijn perceel en de excentrische ligging van kavel [kadasternummer 2] ten opzichte van de bedrijfsgebouwen. De canon is vervolgens door deskundigen vastgesteld. In het taxatierapport staat onder meer het volgende vermeld:
13. Verkaveling
e.p’ (externe productieomstandigheden) naar ƒ 105 per hectare. In het advies is niet met zoveel woorden vermeld op basis van welke omstandigheden de deskundigen tot deze aftrek zijn gekomen. De totale hoogte van de canon is bepaald op ƒ 38.663 (afgerond € 17.544,50).
vierdemaal herzien. Conform het in 1998 gewijzigde Pachtnormenbesluit is de canon verhoogd tot
vijfdecanonherziening aangekondigd per 1 november 2005. Hiertegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt. De Staat heeft bij brief van 1 februari 2006 aan [appellant] bericht dat op basis van diens argumentatie tegen de voorgestelde canonherziening is besloten deze herziening niet door te voeren. Tevens is in deze brief het volgende vermeld:
‘Tijdens uw gesprek met de heer [naam 2] op 9 januari 2006 heeft de excentrische ligging van uw erf en gebouwen ten opzichte van de cultuurgrond de doorslag tot dit besluit gegeven. U moet onevenredig veel gebruik maken van de openbare weg (Eendenweg), terwijl tegelijkertijd deze weg door de jaren heen een steeds hoogwaardiger karakter heeft gekregen vanwege de toegang tot het vliegveld en andere belangrijke voorzieningen. Dit gaat voor u gepaard met aanzienlijke hogere bedrijfskosten (milieumaatregelen). (...)’.
zesdecanonherziening aangekondigd, en wel per 1 november 2011. Voorgesteld werd de canon te verhogen tot € 39.495,58. Hiertegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Na een taxatie door deskundigen is de canon vastgesteld op het door Staat voorgestelde bedrag.
Canon’, is het volgende opgenomen:
(…) (ik) heb (…) toegezegd dat na expiratie van de 40-jarige erfpachtrechten op ca. 19.000 ha cultuurgrond van de Staat heruitgifte zal plaatsvinden tegen marktconforme voorwaarden. In de opdracht aan de commissie Koopmans (…) is vermeld dat de canon – evenals de overige voorwaarden – marktconform worden bepaald overeenkomstig de in de markt geldende praktijk. Het op dit punt door de commissie Koopmans gegeven advies acht ik juist. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar bijlage 3.’
De koppeling van de canons aan de lage pachtprijzen, in combinatie met het feit dat erfpachters, in tegenstelling tot pachters, hun recht kunnen vervreemden op de vrije markt en hun financieringsruimte kunnen vergroten door op dat recht hypotheek te vestigen, heeft in de praktijk geleid tot grote vermogensvoordelen voor de erfpachters.
in dit concrete gevalvan het 1997-Beleid dient af te wijken in verband met het vertrouwensbeginsel, de omstandigheden van het geval en het gelijkheidsbeginsel, gaat niet op (rovv. 4.12 – 4.18);
de factoeen aftrek/korting op de canon is toegepast. Onbetwist is verder dat de kortingen uit 1981 en 2005 zijn ingegeven door de excentrische ligging en/of de geren in de perceelsvorm (zie de rovv. 1.g. en k.). Dat dit ook zo is bij de korting uit 1993 is door de Staat wel betwist. Die betwisting is in zoverre terecht dat blijkens punt 16 van het daarop betrekking hebbende, in rov. 1.i. deels weergegeven taxatierapport, die korting niet gebaseerd kan zijn op de excentrische ligging. Gelet op de opmerking bij punt 13 van dat rapport over ‘
verkaveling’, dat het perceel ‘
geert’, ligt het echter in de rede om het ervoor te houden dat die korting – die is verleend vanwege externe productieomstandigheden, waaronder ook de verkaveling is te verstaan (zie rov. 1.f.) – is ingegeven door de gerende perceelsvorm. In zoverre had voormelde betwisting door de Staat een nadere motivering moeten hebben, die echter ontbreekt. De conclusie van dit een en ander is dat in 1981, 1993 en 2005 (
de facto) kortingen op de canon zijn toegepast vanwege de excentrische ligging en/of de geren in het perceel. Deze kortingen hebben een cumulatief effect in de zin dat zij (in verlagende zin) hebben doorgewerkt in de daaropvolgende canonherzieningen, zoals [appellant] heeft gesteld in punt 25 MvG en door de Staat is erkend in de punten 3.11, 3.15, 2e volzin, en 3.18 MvA. Dit cumulatief effect heeft tot gevolg dat bij de tweede, vierde en zesde herzieningsrondes in respectievelijk 1988, 1999 en 2011 de canon van [appellant] met lagere bedragen werd verhoogd, maar dit wil, anders dan [appellant] heeft betoogd in de grieven 2 en 3, niet zeggen dat toen ook sprake was van zelfstandige kortingen. In punt 17 PA heeft [appellant] zelf bevestigd dat er ‘3 maal (is) afgeweken’, en niet vaker.
in fine).
de facto) kortingen te verlenen voor dergelijke externe omstandigheden (de excentrische ligging en/of de perceelsvorm) in verband met [appellant] ’s perceel,
de facto) korting op de canon wordt verleend.
In 1997 heeft de toenmalige staatssecretaris (…) de Kamer toegezegd dat na ommekomst van de lopende erfpachttermijn een eenmalige heruitgifte zou plaatsvinden voor 40 jaren tegen de alsdan geldende marktconforme voorwaarden en canon. Op die uitspraak is beleid ingezet inhoudende dat de nieuwe algemene voorwaarden zijn vastgesteld en bepaald is dat de canon voor de cultuurgrond wordt berekend op 125% van de regionorm.
in fine) is het onevenredig in de zin van de ‘tenzij’-regel van artikel 4:84 Awb Pro dat op de nieuwe canon van [appellant] , die bij de heruitgifte in 2015 is vastgesteld, geen korting is toegepast voor de excentrische ligging en de perceelsvorm. In aansluiting op de in rov. 3.6 vermelde betwisting door de Staat en zijn betwisting van het in [appellant] ’s vorderingen genoemde bedrag van € 246,79 (punt 3.49 MvA) moet hierbij wel de kanttekening worden geplaatst dat de toe te passen korting niet verder hoeft te gaan – en, vanwege de gelijkheid ten opzichte van de andere erfpachters, ook niet verder mag gaan – dan het bedrag van de extra kosten die de excentrische ligging en de ongunstige perceelsvorm teweegbrengen. Compensatie van die extra kosten is immers het kennelijke doel van de in verleden toegepaste kortingen geweest, naar [appellant] en zijn vader ook hebben moeten begrijpen, zodat [appellant] er niet gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat hem een hogere korting zou blijven worden toegekend. Een korting die hoger is dan de extra kosten zou bovendien in strijd komen met het doel van het 1997-Beleid om het behalen van vermogensvoordelen met erfpacht een halt toe te roepen. Het niet-verlenen van een korting die hoger is dan de extra kosten is dus – ook omdat [appellant] op zo’n hogere korting niet gerechtvaardigd heeft kunnen vertrouwen – niet onevenredig in de zin van de ‘tenzij’-regel van artikel 4:84 Abw Pro,