Uitspraak
zetelende te 's-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
De Staat gaf in 1976 een perceel landbouwgrond in erfpacht uit aan de vader van verweerder. Tijdens de oorspronkelijke erfpachtperiode werden kortingen op de canon toegepast vanwege de excentrische ligging van de bedrijfsgebouwen en de afwijkende perceelvorm, wat extra kosten veroorzaakte. Bij de heruitgifte in 2015 paste de Staat het beleid van 1997 toe, waarbij de canon marktconform werd vastgesteld zonder kortingen voor deze bijzondere omstandigheden.
Verweerder vorderde een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig handelde door geen korting toe te passen bij de heruitgifte en verzocht om terugbetaling van teveel betaalde canon. De rechtbank wees dit af, maar het hof kende gedeeltelijk gelijk en oordeelde dat de Staat rekening had moeten houden met de bijzondere omstandigheden en een korting had moeten toepassen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verweerder gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het voortzetten van kortingen bij heruitgifte, gezien het gewijzigde beleid van de Staat sinds 1997. Wel stelde de Hoge Raad dat het onevenredig kan zijn om geen rekening te houden met bijzondere omstandigheden, maar dat dit moet worden beoordeeld door het hof. De Hoge Raad veroordeelde verweerder in de kosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling over de toepassing van korting op de erfpachtcanon bij heruitgifte.