Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 9 januari 2018
[appellante] ,
Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
- het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister, de Raad van Toezicht en de pers omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden;
- het verhullen door [appellante] dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte;
- het betrekken door [appellante] van ondergeschikten bij dat verhullen.
heeft hierop de heer [woordvoerder COA] en zichzelf als getuige doen horen. Voorts heeft [appellante] bij memorie na enquête een kopie van de brief van 17 mei 2017 van de heer [naam medewerker] van Grant Thornton Forensic & Investigation B.V. overgelegd, alsmede zijn CV. Het COA heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.
: “Ik heb in 2001 heb ik een leaseauto gekregen (…). Als algemeen directeur kwam de dienstauto met chauffeur wat al mijn voorgangers hadden.”Interviewer: “Maar u, toen u de leaseauto had, reed u deze ook privé?”[appellante] : “Nee, ik heb nooit privé gebruik gemaakt van mijn leaseauto. En ik heb ook alle rekeningen zelf betaald die u tegen bent gekomen, alle boetes, ik reed nogal hard.”Interviewer: “Ja dat is een hele …..”[appellante] : “Die heb ik allemaal zelf betaald, dus iedere suggestie dat het COA dat heeft gedaan dat is absoluut niet aan de orde.”(…)Interviewer: “Maar vanaf 1 oktober, als u dus algemeen directeur wordt, dan heeft u ook een dienstauto…”[appellante] : “Met chauffeur.”Interviewer: “Met chauffeur en deze werd ook, deze gebruikte u niet privé…”[appellante] : “Nee, nee, nee, ik heb nooit privé gebruik gemaakt.”Interviewer: “Maar u werd wel aanslagen voor een bijtelling”[appellante] : “Nee”Interviewer: “Er was een bijtelling die werd later gecompenseerd…”[appellante] : “Nee, want de eerste jaren totdat de compensatie begon heeft de chauffeur gewoon kilometers geschreven, en er is nooit een verzoek gedaan door de belastingdienst dus het was geen issue.”Interviewer: “Het was geen issue, dat werd het pas in 2006 geloof ik.”[appellante] : “In 2006 werden de regels strakker, ook binnen de overheid, u heeft de adviezen gezien van de fiscale adviseur, die zijn allemaal met de Raad van Toezicht besproken, en hebben een keuze gemaakt om ter voorkoming… en we hadden wat crashes in de agenda’s hè, als ze controleren kijken ze ook volledig naar je agenda, (…) we liepen een risico, dat staat er niet in, maar dat liep ook mee, ik weet niet of de Raad van Toezicht dat heeft gewogen, en op basis van fiscale adviseurs en contacten met de belastingdienst heeft toen de Raad van Toezicht gezegd we willen helemaal geen risico, hier heb je de bijtelling.”Interviewer: “ja”[appellante] : “en dat werd geboekt en afgeboekt en…”Interviewer: “Dus de belastingdienst zei: je moet of een ritadministratie doen, dat is de voorwaarde om hem niet privé bijgeteld te krijgen laat ik maar zeggen…”
U vraagt mij naar het gesprek dat ik heb gehad met de onderzoekscommissie COA, en houdt mij de verklaringen voor van de commissieleden, inhoudende dat ik gezegd heb dat ik de auto nooit privé heb gebruikt. Ik verklaar hierover het volgende. Bij de onderzoekscommissie is er slechts heel kort gesproken over de dienstauto. Ik heb tegenover de commissie verklaard dat ik de automet chauffeurnooit privé heb gebruikt. Waarom heb ik dit zo verteld? Hier waren twee redenen voor. De commissie had vanaf het begin de beschikking over mijn personeelsdossier. Ik ben er dan ook van uit gegaan dat de commissie wist dat ik recht had op het privé gebruik van de dienstauto, en dat als zij hierover een vraag stelden, zij doelden op het privé gebruik inclusief chauffeur. Ten tweede ging ik er van uit dat zij er niet van op de hoogte waren dat ik met [toenmalig vz RvT COA] begin september 2011 de afspraak had gemaakt dat ik vanaf dat moment niet meer privé zou rijden. Ik ging er in dit gesprek met de commissie dus van uit dat het in dit gesprek niet ging over het toegestane privé gebruik, wat ze wisten en waar ik recht op had. Waarom zou ik hier over liegen? Ik had er gewoon recht op.
met chauffeur, en dat haar opmerking op een vraag van [commissielid 2] : ‘Maar ik reed ook niet privé’ zag op de periode vóór 2007, acht het hof niet overtuigend. Op de geluidsopname is te horen dat de interviewer ( [commissielid 2] ) expliciet aan [appellante] voorhoudt, dat als zij met de dienstauto privé zou rijden dat gewoon een loonsverhoging zou betekenen, en dat het daarom relevant was of [appellante] al dan niet privé met de dienstauto reed. Het antwoord daarop van [appellante] : “Maar ik reed ook niet privé”, en haar ontkennende antwoord bij de nadere vragen: “U heeft nooit privé gereden met de auto” en “De hele periode niet vanaf 2000?” bieden geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat [appellante] hiermee slechts doelde op de periode vóór 2007 en/of het gebruik van de auto
met chauffeur. Uit de getuigenverklaringen van [commissielid 1] , [commissielid 2] en [commissielid 3] kan niet anders worden afgeleid dan dat zij de verklaring van [appellante] tegenover hen ook niet in die zin hebben begrepen. Indien [appellante] de Onderzoekscommissie eerlijk en volledig had geïnformeerd over haar privé gebruik van de dienstauto, had het gelet op de aan haar op dit punt gestelde vragen en nadere vragen, voor de hand gelegen dat zij daarbij had vermeld dat zij de dienstauto (zonder chauffeur) in elk geval van 2007 tot september 2011, wel degelijk privé gebruikte. Uit de door de Onderzoekscommissie aan haar gestelde vragen en nadere vragen, blijkt op geen enkele wijze dat de Onderzoekscommissie op de hoogte was van haar privégebruik van de auto en bij zijn vragen uitsluitend doelde op het privégebruik met chauffeur, en/of de periode vóór 2007. Dat [appellante] deze vragen volgens haar verklaring wel zo heeft begrepen, acht het hof onaannemelijk. Het enkele feit dat de Onderzoekscommissie beschikte over haar personeelsdossier, brengt nog niet mee dat [appellante] er zonder meer vanuit mocht gaan dat de Onderzoekscommissie hiervan volledig kennis had genomen. [appellante] had in elk geval uit de aan haar gestelde vragen en nadere vragen, kunnen en moeten begrijpen dat de Onderzoekscommissie niet op de hoogte was van haar privé gebruik van de dienstauto. Haar verklaring dat zij dit anders heeft begrepen acht het hof niet overtuigend, en daarmee in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs onvoldoende.
“Vanmiddag heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , [appellante] en mij inzake het inkomen van de directeur COA. Op basis van de gegevens die we vanmiddag beschikbaar hadden, heb ik het beeld dat we de zaak op een vrij eenvoudige wijze – en zonder dat [appellante] daar materieel onder lijdt – op kunnen lossen. De oplossing is met name gelegen in de manier waarop er met de dienstauto omgegaan wordt. [appellante] gebruikt de auto niet privé maar heeft hier nooit een verklaring aan de belastingdienst voor afgegeven. De belasting slaat haar dus aan voor privégebruik en telt een deel van de waarde van de auto op bij haar belastbaar inkomen. [appellante] wordt om deze reden gecompenseerd voor deze extra belasting door haar werkgever, wat haar formele inkomen verder verhoogt. [appellante] was niet op de hoogte van de alternatieven, maar dit lijkt mij geen handige en zakelijk aanpak. Idee is dat zij nu snel een verklaring voor de belastingdienst ondertekent en dat daarmee de compensatie kan komen vervallen.”
“Ik ben inderdaad betrokken geweest bij de voordracht tot benoeming en de voorstellen daartoe van [appellante] als bestuursvoorzitter. Ik leverde op onderdelen informatie aan. Informatie over het salaris, de afspraken met betrekking tot het gebruik van de dienstauto en dergelijke. Iedere keer kwam de brief weer terug met het voorstel voor de benoeming, omdat de ene keer de WOPT-norm en de andere keer de WNT-norm moest worden gehanteerd en de andere keer weer een andere norm. In sommige voorstellingsbrieven wordt vermeld dat de auto niet privé gebruikt werd. U vraagt mij of ik weet waarom dit is. De voorstellingsbrieven zijn voor de toekomst. De auto zou niet meer privé worden gebruikt. (….) Ik weet nog dat op 8 september 2011 er vragen van de NOS kwamen met betrekking tot een nieuwsuitzending over het COA. (…) In dat kader heeft [appellante] , zo heeft ze mij verteld, met [toenmalig vz RvT COA] afgesproken en zij heeft aangegeven dat ze de auto niet meer privé zou rijden vanaf 1 september 2011, want dan zou het salaris dichter bij de Balkenende norm komen te liggen. Het gesprek met [toenmalig vz RvT COA] waarover [appellante] vertelde heeft op 9 september 2011 plaatsgevonden. Dat weet ik, omdat ik toen van [appellante] opdracht kreeg om dat in de voordrachtsbrief op te nemen. [strategisch adviseur COA] heeft de voordrachtsbrief toen met input van mij aangepast. In de versie of versies voor 9 september 2011 stond dat vigerende arbeidsvoorwaarden zouden worden gehandhaafd. Er waren ook versies voor 9 september 2011 waarin stond dat de auto alleen voor zakelijk gebruik werd gebruikt, maar die versies heb ik niet gezien. Ik het later begrepen dat die wel circuleerden. Van mij uit heb ik doorgegeven dat de auto privé werd gebruikt ten behoeve van de benoemingsvoorstellen waar ik bij betrokken was.”
“Ik kan mij het gesprek van 10 mei 2011 goed herinneren. Het was een informeel gesprek met mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en mevrouw [directeur personeel (...) BZK] . (…) Ik had een stukje laten maken door Eversheds Advocaten over mijn salaris en de toekomstige inpasbaarheid daarvan binnen de mogelijke WNT-norm. Mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] bekeek dit stukje en zei tegen mij: ‘Jij verdient toch veel meer?’. Ik zei: ‘Dat klopt, dit is een discussiestuk en sommige dingen zijn er uit gelaten, bijvoorbeeld de compensatieregeling voor het privé gebruik van de dienstauto’. [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] vroeg toen aan mij hoe dit zat. Ik heb toen gezegd dat ik eventueel bereid was om afstand te doen van deze compensatieregeling en de auto niet meer privé te gebruiken. Dat vond ze ‘tof’. Verder hebben we nog gesproken over mijn representatievergoeding. Volgens mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] zou daar wat in geschoven kunnen worden en zou dan alles in orde zijn. (…) Het verslag van het gesprek van 10 mei 2011 heb ik pas gezien bij de processtukken bij de rechtbank, wat er in staat bestrijd ik te vuur en te zwaard. (…)
Ook over de inhoud van het gesprek van 26 september 2011 staat de verklaring van [appellante] haaks op de verklaringen van de getuigen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] . [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] hebben beiden verklaard dat [appellante] in het gesprek van 26 september 2011 expliciet heeft verklaard dat ze de auto niet privé gebruikte en hem nooit privé had gebruikt. Ook op dit punt acht het hof de andersluidende verklaring van [appellante] , inhoudende dat er in dit gesprek helemaal niet zou zijn gesproken over het feitelijk gebruik van de dienstauto, onvoldoende overtuigend om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] . De aanleiding voor dit gesprek was immers, zoals [sg BZK] heeft verklaard, dat in een overleg met (onder andere) de Minister eerder die dag was gebleken dat er nog onduidelijkheid was over het salaris van [appellante] , onder meer over de bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto. Omdat het essentieel was dat de Minister de kamer correct zou informeren, is [appellante] vervolgens nog diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. Gelet op het doel van dit gesprek, het verkrijgen van volstrekte duidelijkheid over de bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto, is de verklaring van [appellante] dat in dit gesprek over het feitelijk gebruik van de dienstauto in het geheel niet is gesproken niet overtuigend.
De verklaring van de getuige [HRM adviseur] , die bij de gesprekken van 10 mei 2011 en 26 september 2011 niet aanwezig is geweest, doet aan het bovenstaande niet af.
Uit de verklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] blijkt voorts dat zij de informatie die zij van [appellante] hadden gekregen, inhoudende dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit gebruikt had, hebben doorgeleid aan de Minister.
Het hof acht derhalve bewezen dat [appellante] in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van de Raad van Toezicht aan de Minister tot benoeming van [appellante] tot voorzitter van de Raad van Bestuur van het COA, aan [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , [sg BZK] en [directeur personeel (...) BZK] heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had en dat deze informatie aan de Minister is doorgeleid.
“ [appellante] ,Mijn advies is:(…) Maak duidelijk dat de compensatie fiscale bijtelling auto moeilijk als loon gezien kan worden (je strijkt er immers niets van op; je brengt evenmin reiskosten in rekening; je rijdt de auto alleen zakelijk).”
7. Daarvoor was geen aanleiding, omdat de beoogde voorzitter van het bestuur
steeds zelf heeft verklaard geen privé-gebruik te maken van de dienstauto.”
“Aan de orde komt eerst het verwijt dat ik onjuiste informatie zou hebben verstrekt over het privé gebruik van mijn dienstauto aan de Raad van Toezicht. Ik ontken dat hiervan sprake is geweest.(…)
U vraagt mij of ik ooit met de heer [toenmalig vz RvT COA] heb gesproken over het privé gebruik van mijn dienstauto. Ik kan mij drie gesprekken herinneren. De eerste keer was in 2007, dit was een telefonisch gesprek naar aanleiding van het advies van Deloitte over de wijziging van de fiscale regeling met betrekking tot de bijtelling van mijn dienstauto. Ik heb de heer [toenmalig vz RvT COA] gezegd dat ik volgens mijn arbeidsovereenkomst onbeperkt recht had op het privé gebruik van mijn dienstauto, en dat als het COA het advies van Deloitte zou volgen om mijn fiscale bijtelling te betalen, ik hiervan ook gebruik zou maken. [toenmalig vz RvT COA] zei toen nog: ‘Daar heb je ook recht op al ga je ermee naar de maan’. Het tweede gesprek dat ik mij kan herinneren was begin september 2011 naar aanleiding van vragen van de NOS. Ik heb dit persoonlijk met hem besproken. Ik heb toen zelf aangegeven dat ik gaarne bereid was om indien nodig de compensatieregeling te laten vervallen. Hij zei toen: ‘Dat is fijn dan hebben we nu een regeling en dan rijd je vanaf nu niet meer privé in de dienstauto’. Dit was een mondelinge afspraak. Ik heb mij daar vervolgens ook aan gehouden. Het derde gesprek dat ik mij kan herinneren was in 2012, toen hebben we samen koffie gedronken. Ik heb [toenmalig vz RvT COA] toen gevraagd of hij deze afspraak uit 2011 nog kon herinneren, en hij wist dit nog glashelder. Buiten deze drie momenten, heb ik met [toenmalig vz RvT COA] niet over het privé gebruik van de auto gesproken.
“Ik was betrokken bij de voorbereiding op de beantwoording van de vragen van de NOS. Ik maakte daarbij deel uit van een commissie: [naam commissielid 1] , [strategisch adviseur COA] , [naam commissielid 3] , [toenmalig lid 2 RvT COA] , [woordvoerder COA] , [appellante] en ik. Ik hielp mee met de beantwoording van de vragen op HRM gebied. Op 12 september 2011 is de commissie in voltallige samenstelling bij elkaar geweest. [toenmalig lid 2 RvT COA] was daarbij vanuit de Raad van Toezicht aangeschoven. Eerder was hij niet bij de besprekingen aanwezig, maar hij was wel volledig op de hoogte. Wij wilden die dag een klap geven op het voorstel voor de beantwoording, zodat deze naar de NOS kon worden gestuurd. De Raad van Toezicht moest hiervoor zijn akkoord geven en daarom was [toenmalig lid 2 RvT COA] erbij. In dat overleg heeft [appellante] gezegd dat zij met [toenmalig vz RvT COA] had besproken dat zij vanaf 1 september 2011 niet langer privé gebruik zou maken van de dienstauto. [toenmalig lid 2 RvT COA] zei toen: dan gaan we dat communiceren. Toen heeft [appellante] nog gevraagd of er een toelichting moest komen op het verschil voor en na 1 september. Toen zei [toenmalig lid 2 RvT COA] : we leven nu in het heden, dus dat hoeft niet.”
Ik word beticht van het feit dat ik opdracht zou hebben gegeven aan mijn toenmalige secretaresse en chauffeur om achteraf afspraken in mijn agenda in te plannen, om op die manier te verhullen dat ik de dienstauto ook privé gebruikte. Ik ontken pertinent dat ik een dergelijke opdracht heb gegeven, niet aan [chauffeur] en niet aan [secretaresse] . Ik heb daarvoor ook geen motief want zoals uit mijn verklaring vandaag blijkt, heb ik nooit in strijd met de waarheid verklaard over het privé gebruik van de dienstauto. Door afspraken achteraf in mijn agenda te zetten, verander je niets. Alles wordt bewaard en de auto heeft een GPS-systeem. Ik zou er niet eens opgekomen zijn, laat staan dat ik het heb gedaan. Het is bizar. Ik denk dat het er met de haren bij is gesleept om mij te kunnen ontslaan omdat het COA het met de andere argumenten niet zou redden. Ik heb het gewoon niet gedaan. Toen ik het Hoffmann-rapport kreeg, was ik met stomheid geslagen. Het was zo dom. Het doel is duidelijk, maar wie heeft er in mijn agenda zitten rommelen en wanneer? Ik heb een stage gelopen op de financiële administratie van het COA en weet precies hoe het daar aan toe gaat met de facturen. Waarom zou ik dit aan [chauffeur] vragen, die komt nooit op die afdeling.
- het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister en de Raad van Toezicht omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden;
- het verhullen door [appellante] dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte;
- het betrekken door [appellante] van ondergeschikten bij dat verhullen.
Het COA is niet geslaagd in het bewijs van het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie over het privégebruik van de dienstauto aan de pers.
Beslissingen
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 8 oktober 2014, gewezen onder zaaknummer 1211258/ 12-27234;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het COA tot op heden begroot op € 5.213,- aan griffierecht en € 16.030,- aan salaris advocaat (3,5 punten tarief VIII ad € 4.580,-), en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;