Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 april 2018
de Gemeente Schiedam,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor normaal gebruik als: woonhuis.”
“De bereikte overeenstemming heeft het karakter van een schikkingsakkoord en behelst dus finale kwijting over en weer voor aanspraken betreffende de asbest-gerelateerde kwaliteit van het aan de heer [geïntimeerde] geleverde onroerend goed.”
“(…) Maar even terugkomend op de afspraken zoals die met u zijn gemaakt is dat er op 24e augustus as. begonnen wordt met de saneringen welke maximaal 4 weken zouden duren, zijnde tot maximaal 21 september 2013. Waarna ik weer de beschikking over het pand zou krijgen waarbij alle asbest verwijdert zou zijn.”
“Wij hebben kennis genomen van de rapportage van TNO en hebben de zeer vakinhoudelijke betekenis beoordeeld. Op grond van deze rapportage komen wij tot de conclusie dat de gemeente, ondanks dat de vrijgavemeting (welke werd opgesteld conform NEN 2990) aangaf dat de sanering conform de geldende en afgesproken eisen was uitgevoerd, op welke meting wij zonder meer mochten vertrouwen, de sanering niet heeft opgeleverd op het in het schikkingsakkoord beschreven niveau. Wij voelen ons verplicht nadere werkzaamheden op te dragen om alsnog aan het in het akkoord vastgelegde criterium te voldoen.(…) U kunt dit bericht uitsluitend zien als bevestiging dat nu, en uitsluitend nu door kennisname van het TNO-rapport, is gebleken dat de sanering toch niet conform NEN 2990 is opgeleverd en daarmee: dat nog niet het in het in akkoord genoemde opleveringsniveau is bereikt. (…).”
Grief 1is gericht tegen rechtsoverweging 4.2 van het vonnis van de rechtbank voor zover daarin is overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de Gemeente de uit de schikkingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen niet (volledig) is nagekomen, zodat dit vaststaat. De Gemeente voert aan dat er in de schikkingsovereenkomst geen fatale termijn is opgenomen. Bovendien is als voorwaarde in de schikkingsovereenkomst opgenomen dat een eindbeoordeling uitgevoerd dient te worden door een RvA-geaccrediteerde eindbeoordelingsinstelling, conform NEN-2990. Aangezien de beoordeling door De Swart hier niet aan voldoet, kan op basis van die beoordeling niet worden aangenomen dat niet is voldaan aan de voor de Gemeente uit de schikkingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen.
Grief 2sluit hierbij aan en richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rechtsoverweging 4.3) dat de Gemeente niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat op basis van het onderzoek van De Swart niet kon worden vastgesteld dat er sprake was van een tekortkoming. De Gemeente wijst er op dat er wel een eindbeoordeling zoals door partijen overeengekomen, heeft plaatsgehad. Met
grief 3wijst de Gemeente erop dat haar stelling niet is geweest dat de ingebrekestelling van [geïntimeerde] de functie moet hebben gehad het verzuim vast te stellen. De Gemeente heeft gesteld dat de ingebrekestelling inhoudelijk op ondeugdelijke wijze heeft vastgesteld dat de Gemeente haar verbintenissen niet (volledig) is nagekomen, zodat ook het verzuim niet heeft kunnen intreden.
Grief 4is gericht tegen de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 getrokken conclusie dat de schikkingsovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden. De Gemeente voert in dit verband aan dat de termijn van twee weken die [geïntimeerde] haar gesteld heeft, niet een redelijke termijn voor nakoming was.
grief 5betoogt de Gemeente dat zij wel degelijk heeft aangevoerd dat de situatie ten tijde van de levering van de woning een andere was dan ten tijde van het onderzoek door TNO. Zij wijst er in dat verband verder op dat de woning door [geïntimeerde] verhuurd is geweest.
Grief 6komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat de woning verhuurd is geweest niet betekent dat de woning geen gebreken vertoonde die aan een normaal gebruik in de weg stonden, terwijl
grief 7is gericht tegen het oordeel dat het feit dat de ouderdom van de woning in de koopovereenkomst staat vermeld, niet betekent dat [geïntimeerde] er rekening mee had moeten houden dat de woning in grote mate met asbest besmet zou blijken te zijn. De
grieven 8-10zijn gericht tegen de oordelen van de rechtbank met betrekking tot de ingebrekestelling, het verzuim en de conclusie dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Met
grief 11voert de Gemeente aan dat de rechtbank ten onrechte een gedeeltelijke ontbinding heeft afgewezen. De
grieven 12-14bestrijden enkele onderdelen van de toegewezen schade, terwijl
grief 15op komt tegen de afwijzing van de reconventionele vordering.
feitelijkebewoning. Gelet op de aan asbest inherente gezondheidsrisico’s is daarmee evenwel niet gezegd dat de woning ook daadwerkelijk voor bewoning geschikt is.
gedeeltelijkeontbinding van de koopovereenkomst. Daartoe voert de Gemeente aan – zo begrijpt het hof althans – dat de kosten van sanering in relatie tot de koopsom relatief gering zijn en dat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd “tegen de achtergrond van de veel omvangrijkere verbouwingswerkzaamheden die [geïntimeerde] voor ogen had en heeft.” Ook deze grief faalt. De Gemeente is er een- en andermaal niet in geslaagd het asbest uit de woning te doen verwijderen. Blootstelling aan asbest kan, zoals een feit van algemene bekendheid is, ernstige gezondheidsschade tot gevolg hebben. Gelet op het feit dat de asbest-besmetting in de woning veel erger was dan uit het eerste Solidé-rapport was af te leiden en de Gemeente niet in staat is gebleken die te doen saneren, brengt de stelling dat de kosten van een verdere sanering relatief gering zijn, indien gegrond, niet mee dat met een gedeeltelijke ontbinding kan worden volstaan.
- Rentelasten 2014 € 7.513,36
- Energielasten 2014 € 3.042,08
- Waterkosten 2014 € 78,45
- Watersysteemheffing € 276,24
- Rentelasten 2015 € 11.270,04
- Energielasten 2015 € 368,00
- Waterkosten 2015 € 34,84
- Opstalverzekering 2015 € 657,37
- Watersysteemheffing € 56,70
- OZB 2015 € 279,30
- Rioolheffing € 222,14
- OZB € 157,32
- Rentelasten 2016 € 344,36
- Kosten hertaxatie SBF € 1.197,75.
geschatteverbouwingskosten leidt de samenvoeging van de panden volgens dit rapport dus nauwelijks tot enige waardevermeerdering.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2015;
- veroordeelt de Gemeente tot (aanvullende) betaling van € 17.264,88 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt Gemeente in de kosten van het geding in het principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.628,- aan verschotten en € 11.685,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- compenseert de kosten in het incidenteel appel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.