In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een ontnemingsvordering centraal, waarbij de rechtbank Rotterdam het OM gedeeltelijk niet-ontvankelijk had verklaard omdat zij oordeelde dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit omkoping een nieuwe vordering betrof die buiten de wettelijke termijn was ingediend.
Het hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe vordering, maar van één ontnemingsvordering die binnen de wettelijke termijn is ingediend. Het hof baseert dit op het feit dat de aanvulling op het ontnemingsdossier van 15 maart 2016 niet de band met de hoofdzaak doorbreekt en dat het OM tot aan het requisitoir bevoegd is om de vordering aan te passen.
Daarnaast heeft de verdediging het vertrouwensbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het verbod op misbruik van bevoegdheden (détournement de pouvoir) aangevoerd als grond voor niet-ontvankelijkheid. Het hof heeft deze gronden niet inhoudelijk beoordeeld en de zaak terugverwezen naar de rechtbank zodat deze daarover kan beslissen.
Het hof vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.