ECLI:NL:GHDHA:2019:1501
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling saldo gezamenlijke bankrekening na beëindiging samenleving
Partijen hadden een affectieve relatie en een gezamenlijke en/of bankrekening. De man heeft een bedrag van €28.015,85 van deze rekening overgeboekt naar zijn privérekening. De vrouw vordert de helft van dit bedrag terug, omdat het saldo gezamenlijk toebehoort en zij geen toestemming heeft gegeven voor de overboeking.
De kantonrechter wees de vorderingen van de vrouw af, maar het hof oordeelt anders. Het hof stelt vast dat de gezamenlijke rekening toebehoort aan beide partijen, ieder voor de helft. Hoewel partijen samenwoonden en de man beheer voerde over de rekening, heeft hij geen deugdelijke onderbouwing gegeven van de bestedingen van het bedrag na de brief van 30 september 2014 waarin de vrouw haar bezwaar kenbaar maakte.
Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw stilzwijgend toestemming gaf voor beheer van de gelden ter dekking van gezamenlijke kosten tot die datum, maar daarna niet. De verklaring van finale kwijting van 3 maart 2015 is onvoldoende om de man te dechargeren. Omdat de man geen administratie heeft bijgehouden, wordt het risico van het ontbreken van verantwoording op hem gelegd.
Het hof veroordeelt de man tot betaling van €14.007,93 aan de vrouw, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De buitengerechtelijke kosten worden niet toegewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het saldo van de gezamenlijke rekening aan de vrouw, vermeerderd met wettelijke rente.