Conclusie
Dynamische uitleg
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
feitelijke gang van zakenmet als inhoud dat de vrouw de rente van de hypothecaire lening zou betalen waar tegenover stond dat de vrouw het volledige gebruik had van de woning en de man maandelijks aan haar een bedrag zou voldoen overeenkomstig zijn financiële draagkracht. Volgens de eerste subklacht is een essentieel deel van de motivering van het hof daarvoor dat de vrouw in appel niet heeft bestreden dat de man heeft gesteld dat de woning verkocht zou worden en daarmee de lening zou worden afgelost. Dat miskent volgens de klacht de devolutieve werking van het appel, nu daarmee het verweer van de vrouw terzake in eerste aanleg niet kenbaar is beoordeeld. Ook zijn daarbij de constitutieve vereisten voor overeenkomsten miskend, althans is niet begrijpelijk dat deze stilzwijgende afspraak wordt afgeleid door het hof. Verder is daarmee de feitelijke grondslag aangevuld volgens de vrouw en is deze overeenkomst onbegrijpelijk in het licht van de eigen stellingen van de man. Met dit een en ander is het hof volgens de klacht buiten het partijdebat getreden.
feitelijkzijn omgegaan met deze lening en de woning: de vrouw heeft vanaf 2006 de hypotheekrente betaald, zonder de man te sommeren de rente die betrekking had op zijn deel van twee ton terug te betalen, zij bleef het gebruik en genot van de woning houden en heeft geen einde gemaakt aan de onverdeeldheid door uit de opbrengst van de verkoop de lening af te doen lossen, hoewel zij dat wel had kunnen doen. Ook heeft de man in de periode 2006-2014 bedragen gefourneerd aan de vrouw. Uit deze aldus verwoorde
feitelijke gang van zakenleidt het hof dan de stilzwijgende afspraak af tussen partijen dat de vrouw de hypotheekrente zou betalen waar tegenover zij het volledige gebruik van de woning had en de man maandelijks zou bijdragen overeenkomstig zijn financiële draagkracht en het hof acht de vrouw aan die stilzwijgende afspraak gebonden.
eerste subklachtwordt opgebouwd door in 2.6 van de procesinleiding eerst rov. 25 te parafraseren, maar daarin staan elementen die niet expliciet in rov. 25 voorkomen, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. De eerste subklacht zelf is gericht tegen de passage uit rov. 25 dat bij antwoord in appel niet is bestreden dat de woning zou worden verkocht volgens de man waarna de lening zou kunnen worden afgelost en dat uit de stelling van de man terzake is af te leiden dat de geldlening slechts voor korte duur zou zijn aangegaan. Voor zover dit zo moet worden begrepen dat de betreffende stelling van de man door de vrouw helemaal niet is bestreden, miskent dit volgens de eerste subklacht in 2.8-2.10 de devolutieve werking van het appel, omdat de vrouw dit bij cva 20 [3] en 25 en blijkens het p-v cna wel heeft bestreden.
feitelijkbestempelde elementen uit rov. 25 die hiervoor in 2.2 zijn samengevat worden in cassatie niet bestreden en het is uit die
feitelijke gang van zakennadat de lening is aangegaan in 2006 dat het hof met zoveel woorden (en ingekaderd door de voorafgaande overwegingen over dynamische uitleg etc.) de stilzwijgende afspraak tussen partijen afleidt. De uiteengezette feitelijkheden lijken mij daarmee in de eerste plaats constitutief voor de aldus afgeleide stilzwijgende afspraak. Volgens de klacht in 2.10 en 2.11 heeft de aanname dat de stelling van de man dat zou worden verkocht en waaruit het hof afleidt dat de lening voor korte tijd is afgegaan, gevolgen voor het oordeel over de stilzwijgende afspraak, omdat dit daarvoor een
essentieelonderdeel zou zijn. Dat is een mogelijke lezing. Een in mijn ogen andere, en, gelet op het door het hof aanhaken bij de beschreven
feitelijkhedenin mijn ogen betere lezing is, dat vooral de als zodanig aangeduide
feitelijkhedenhiervoor constitutief zijn en die worden in cassatie niet bestreden: de vrouw heeft sinds 2006 altijd de rente betaald, deze niet naar rato op de man verhaald, niet zelf getracht uit de onverdeeldheid te komen zodat de lening kon worden afgelost, wel het genot van de woning gehad al die tijd en bijdragen van de man gekregen naar zijn draagkracht. Expliciet uit deze
feitelijkhedenleidt het hof de stilzwijgende afspraken af; de wel in cassatie aangevallen presumptie, die het uitgangspunt schetst ten tijde van het aangaan van de lening, is daarvoor in mijn ogen niet per se dragend. Anders gezegd: zelfs wanneer dit uitgangspunt zou wegvallen, aangenomen dat een voldoende betwisting van de vrouw in eerste aanleg dit zou kunnen bewerkstelligen [4] , dan zou de feitelijke gang van zaken waarop het hof zich baseert voor het aannemen van de stilzwijgende afspraak tussen partijen in stand blijven. Daar ketst de eerste subklacht van klacht 1 volgens mij op af.
tweede subklacht(procesinleiding 2.13-2.14) is dat het hof miskent dat voor de totstandkoming van een overeenkomst aanbod en aanvaarding noodzakelijk zijn, waarbij een op rechtsgevolg gerichte wil is vereist. Stilzwijgende overeenkomsten zijn wel mogelijk, maar de motivering van het hof kan de afgeleide overeenkomst niet dragen volgens de klacht. Onbegrijpelijk is dat het hof die wil kennelijk uitsluitend ontleent aan de omstandigheid dat de vrouw in de woning is blijven wonen (dat is volgens de subklacht conform haar eigen, niet door het hof beoordeelde stellingen dat er pas in 2014 is gesproken over verkoop) en aan het feit dat zij geen regres heeft gezocht voor de betaalde hypotheekrente (dat volgens de klacht conform haar eigen stellingen is, omdat zij dacht nog een relatie en gemeenschappelijke huishouding te hebben, nu ook het samenlevingscontract nooit is opgezegd). Niet kenbaar is in het oordeel betrokken dat de vrouw ook voor 2006 in een hypotheekvrije woning woonde met instemming van de man en de zorg droeg voor de kinderen en de man voor 2007 ook nog regelmatig in de woning verbleef ondanks zijn vertrek in 1998 en tussen partijen nooit over een gebruiksvergoeding is gesproken.
derde subklachtvan klacht 1 (in 2.15-2.16) is dat art. 24 Rv Pro is geschonden met het oordeel over de stilzwijgende afspraken tussen partijen met een inhoud als door het hof bepaald.
naar vermogenvoor elkaar hebben gezorgd, hetgeen in een modus heeft geresulteerd waarbij [de man] min of meer maandelijks een bedrag van ongeveer € 1.000,- aan [de vrouw] heeft voldaan. […] Hoewel de stellingen van partijen over de maandelijkse bijdrage uiteenlopen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat [de man] tot 2015 - met uitzondering van de periode februari 2006 tot oktober 2007 -
een min of meer maandelijkse financiële bijdrage aan [de vrouw] heeft verstrekt van (uiteindelijk) steeds duizend euro, kennelijk op grond van een (stilzwijgende) afspraak daartoe.[…] [onderstreping A-G]
vierde subklachtvan klacht 1 is dat de door het hof afgeleide stilzwijgende overeenkomst uit rov. 25 onbegrijpelijk is in het licht van de eigen stellingen van de man (procesinleiding 2.17). Hij heeft volgens de klacht verscheidene keren erkend dat hij moest bijdragen in de hypotheekrente, maar vond dat hij daar al aan had voldaan via de bijdragen aan [de vrouw] (onder verwijzing naar mvg 27, maar bedoeld zal zijn de appeldagvaarding onder 27).
op basis van de samenlevingsovereenkomst [18] . Zonder nadere, maar ontbrekende, toelichting zie ik niet waarom het hof deze stelling van de man zou moeten betrekken bij de beoordeling of voldoende duidelijk is dat bepaalde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan de vordering van de man die ziet op de renteverplichtingen (zie zijn tweede grief, appeldagvaarding 21-22). Daar ketst deze klacht al op af.
vijfde subklachtvan klacht 1 in 2.18 van de procesinleiding dat de uitleg van het hof uitkomend op een stilzwijgende uitkomst (bedoeld zal zijn: overeenkomst) noch verenigbaar is met de eigen stellingen van de man, noch met de stellingen van de vrouw in de procedure, mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
voorwaardelijkincidentele cassatiemiddel wordt niet toegekomen, wanneer de bespreking van het principale beroep zou worden gevolgd, omdat dit beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat wegens het slagen van principale klachten daartegen niet langer kan worden uitgegaan van de stilzwijgende afspraak bedoeld in rov. 25.
voorwaardelijkvoorgestelde klachten uit de
subonderdelen 2.3-I en 2.3-IIuitgaan van een onjuiste lezing van het arrest (de juiste wordt vooropgesteld (na “Primair”) in de eerste alinea van subonderdeel 2.3-I), zodat deze klachten feitelijke grondslag missen. De klachten zijn voorgesteld voor het geval in de rovv. 25, 50 en 52 in samenhang met rov. 20 zou zijn verworpen, respectievelijk in het midden zou zijn gelaten, wanneer de samenlevingsovereenkomst zou zijn ontbonden. Uit rov. 29 in verband met rov. 20 volgt onmiskenbaar dat het hof heeft geoordeeld dat dat in 1998 was toen de man de woning had verlaten.
onvoorwaardelijkincidenteel cassatiemiddel bevat diverse klachten gericht tegen – en uiteenlopende lezingen van – rov. 20, 25, 50 en 52 [22] en klaagt in de kern ook over de stilzwijgende afspraak die het hof uit het feitencomplex destilleert in rov. 25 dat al aan de orde kwam in het principaal cassatieberoep, klacht 1. Ik zie deze waaier aan klachten geen doel treffen.
Subonderdelen 2.1-I-2.1-III en 2.1-Vworden in wezen samengevat in
subonderdeel 2.1-VI, subonderdeel 2.1-IVbevat geen klacht en de nummering gaat na
subonderdeel 2.1-VIverder met
subonderdeel 2.1-VIII,zodat
subonderdeel 2.1-VIIontbreekt. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
subonderdeel 2.1-VIIIen
2.1-Xop af. Ook hier dient opnieuw voor ogen gehouden te worden dat de rechter een grote mate van vrijheid toekomt bij een verdeling van een eenvoudige gemeenschap ex art. 3:185 BW Pro (vgl. hiervoor in 2.2 en vt. 2).
eigenstellingen van de man dat hij het uit de lening ontvangen bedrag heeft aangewend voor een (zakelijk) project in Italië, althans zakelijke doeleinden die hem vervolgens weer in staat hebben gesteld bij te dragen in de onderhoudskosten van de vrouw en [de zoon] [24] .
subonderdeel 2.1-Iop p. 7 aanvoert) en in de interne verhouding met de vrouw blijft de man “draagplichtig” voor het bedrag dat hij in 2006 heeft ontvangen in zijn vermogen en heeft kunnen besteden (€ 200.000). Het enkele feit dat hij een deel van het aan hem in 2006 toegekomen leningsbedrag in maandelijkse bijdragen zou hebben overgemaakt aan de vrouw, betekent niet dat daarmee de vrouw opeens “draagplichtig” is geworden voor dat deel van de lening in het kader van de terugbetalingsverplichting aan de bank. De klachten lichten ook niet toe waarom bij de vraag naar de onderlinge “draagplicht” van de deelgenoten de wijze waarop het bedrag is besteed relevant zou zijn (daar maakt ook de s.t. van de vrouw in 2.12 en 2.14-2.15 [25] terecht een punt van). Het maakt daarbij niet uit dat het geld door de man is overgemaakt op een en/of-rekening (zie hierover ook hiervoor al in 2.14) [26] . Daarbij geldt bovendien dat niet in cassatie vaststaat dat door de man € 130.000,- is “betaald” of “terugbetaald” aan de vrouw, zodat de klachten op dat punt feitelijke grondslag missen.
naar vermogenvoor elkaar hebben gezorgd en dat dit resulteerde in een modus waarbij de man een min of meer maandelijkse bijdrage aan de vrouw heeft verstrekt van ongeveer € 1.000, kennelijk op grond van een (stilzwijgende) afspraak daartoe [27] . Hiertegen is niet gegriefd en dat stond zodoende voor het hof vast (zie ook hiervoor in 2.8). Ook overigens vind ik het oordeel niet onbegrijpelijk, omdat het bedrag dat de man ontving uit de hypotheeklening en kennelijk (toch) niet gebruikte voor zakelijke doeleinden, ervoor kan zorgen dat hij in wezen een vermogen had om geldelijke lasten te dragen conform een stilzwijgende afspraak met de vrouw. Voor zover de man meer of anders leest in het gebruik van de term “financiële draagkracht” door het hof, getuigt dat in mijn ogen van een verkeerde lezing van het arrest.
subonderdelen 2.1-I-2.1-IIIen
2.1-V-2.1-VIIIen
2.1-Xaf. De klachten in
subonderdelen 2.1-IX en 2.1-XI-2.1-XIIgaan uit van verschillende lezingen van de rov. 20, 25, 50 en 52 die daar niet in te lezen zijn, zodat deze feitelijke grondslag missen. In deze overwegingen lees ik namelijk niet dat het de bedoeling van het hof was om de vrouw een voordeel toe te doen komen van € 260.000 (
subonderdeel 2.1-IX), of een soort alimentatie (
subonderdeel 2.1-XI), of dat dat als een schenking of gift zou moeten worden gezien (
subonderdeel 2.1-XII).
Subonderdeel 2.1-XIIImist zelfstandige betekenis en
onderdeel 2.2. bevat een louter voortbouwende klacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.